zondag 30 augustus 2009

031

V rijdag 18 april Jaar 1

Wanneer je niet zegt wat je eigenlijk moet zeggen, zijn er altijd van die vervelende momenten waarop het lijkt alsof de wereld je dat duidelijk probeert te maken. Ik ben iemand die niet tegen stiltes in gesprekken kan, maar ze ook niet kan vermijden. Wanneer een gesprek stilvalt, wacht ik tot iemand anders een nieuw onderwerp aanbrengt, en in de tussentijd zit ik een beetje paniekerig na te denken, wetende dat het toch niet zal helpen.


Toen Ina en ik op zoek waren naar kerstcadeautjes (ik moest iets voor Zus kopen, wat veel moeilijker bleek dan ik gedacht had, mede omdat ik me de laatste keer dat Zus en ik een constructief gesprek hadden gehad niet meer voor de geest kon herinneren) slenterden we door de winkelstraat in 'onze' stad en praatten over alles en niets. Ik vroeg haar of ze Lily nog gesproken had, omdat ik haar miste en omdat ik graag weet hoe het mensen vergaat.

"Niet sinds de laatste dag van de vakantie", antwoordde ze, somberder dan ik van haar gewend was. "Ze was helemaal hysterisch omdat haar rapport nu wel goed MOEST zijn en zo." Ik zweeg en haalde me de dag dat Lily gehoord had dat ze haar jaar moest overdoen voor de geest. Dat was ook heel gezellig geweest.


(Het is egoïstisch en gemeen zoiets te zeggen, want als een vriendin zoiets te horen krijgt, moet je er voor haar zijn, maar de waarheid is dat ik dat op het moment zelf ook niet gedancht had. Mijn rancune kwam pas achteraf, toen bleek dat het klaarstaan maar van één kant kwam. Ik was kwaad op Lily omdat ze zomaar Emmelin gevolgd was en me niet eens de kans had gegeven mezelf te verdedigen, en ook gewoon omdat we elkaar niet meer spraken.


Ik miste zowel Emmeline als Lily nog steeds heel hard, ook al zei iedereen wiens mening ik waardevol achtte (Ina, Iemand, Broer, mama) dat ik daar geen redenen toe had en hen gewoon links moest laten liggen (oké, Ina en Iemand zeiden dat niet met zoveel woorden, maar het kwam er wel op neer). Ik wist dat als Emmeline de volgende dag naar me toe zou komen en zou doen alsof er nooit iets gebeurd was, ik waar waarschijnlijk in mee zou gaan, ook al was ik dan even hypocriet als zij. Om de lieve vrede te bewaren, maar vooral omdat ik zo graag wou dat alles weer zou worden als vroeger, dat niemand zou weggaan en iedereen zou blijven.)


Ik vroeg niet hoe het met Emmeline ging. In plaats daarvan wees ik naar een armband en vroeg of Zus die mooi zou vinden. Dat ze van Broer ook ooit een armband had gekregen en daar ook blij mee was geweest. Ina gaf niet meteen antwoord. Ze deed iets in de trant van haar schouders ophalen en kikken en draaide zich toen bruusk om. Twee tellen later keek ze me weer aan en zei met een glimlach dat het haar wel iets voor Zus leek, die armband. Ik probeerde haar gezichtsuitdrukking te lezen en deed toen alsof ik niets gemerkt had. De rest van de middag praatten we over onderwerpen die ons allebei niet interesseerden, maar die we nog nooit met zoveel overtuiging besproken hadden. Zo werkt dat, vertelde ik mezelf, je wacht tot dingen weggaan, en als ze weggaan zoek je iets dat net hetzelfde is.


Toen ik thuis kwam, was het overal donker en stil, behalve in de keuken. Ik bleef een paar seconden in de hal staan, huiverde toen mijn voeten de koude vloer raakten en liet mijn ogen wennen aan het donker. Doorheen de woonkamer kon ik de keukendeur en een stukje van de zijkant van mama's gezicht zien. Broer en Zus waren nog niet thuis, zag ik aan de lege plekken op de kapstok.


"Ann, ben jij dat?" riep mama toen ik geen aanstalten maakte naar de keuken te lopen. "Ja!" riep ik terug en opende nadrukkelijk de deur naar de WC om even alleen te kunnen zijn, ook al had ik me de hele middag zo gevoeld. Ik had het gevoel alsof mijn hoofd ging exploderen van alles wat ik niet begreep. Zoals altijd wanneer ik moe en verward was voelde ik tranen opkomen en vervloekte mezelf om mijn labiliteit. Ik veegde ruw met de mouw van mijn trui over mijn gezicht en haalde diep adem. "Doe normaal", zei ik zacht tegen mezelf, "alles in orde. Je ziet spoken. Gedraag je als een stabiel persoon en doe alsof als dat niet anders kan." Ik was er allemaal niet zo zeker van, maar er zijn momenten waarop je niet anders kan. Of wil. Of durft.


"Dag Anneke." Ik ging naast papa aan tafel zitten en trok de soeppot naar me toe. Mama begon naar mijn dag te vragen met een enthousiasme dat ik maar zelden zag (het had vast iets met de kerstboodschap te maken, of met het feit dat Zus al een paar keer had laten vallen dat ze een kot moest zoeken en dat ik dan de enige thuis zou zijn). "Het was leuk", antwoordde ik afwezig en trok de boter dichterbij om een boterham te smeren.

"Waar zijn Zus en Broer?" vroeg ik terwijl ik melk in mijn soep goot en keek naar de grappige vormen dat dat opleverde. "Broer is bij een vriend", antwoordde papa, "ze gingen samen naar een fuif. En ik weet niet waar Zus is."


"Bij haar vriendje", zei mama tussen twee soeplepels door en wierp fronsend een blik op de klok, die half zeven aangaf, "ook al had ze beloofd voor het avondeten terug te zijn." Er klonk teleurstelling door in haar stem. Ik ging niet in op die opmerking, noch op die vana papa toen hij opmerkte dat hij namen van Zus' vriendjes niet meer kon bijhouden en at gestaag verder toen mama kattig antwoordde dat hij misschien zijn best ook niet echt deed. Halverwege de discussie schoof ik mijn lege bord van me weg en glipte de trap op om Zus' cadeau in te pakken, en ook gewoon omdat het in mijn kamer in elk geval gezelliger zou zijn.

donderdag 6 augustus 2009

De Treinjongen.

(Dit kortverhaal heeft niets te maken met wolkenmeisje, behalve dan misschien dat ze het zelf had kunnen geschreven hebben.)

De Treinjongen.

De eerste keer dat ik hem zag, kwam dat door de sinaasappels.
Zoals altijd had ik de trein van 16.47 genomen, en zoals altijd leek het alsof de hele wereld samengeperst moest worden in die acht gammele wagons. Het was warm en niemand wou zijn waar hij op dat moment was, zelfs niet ik. In een poging te verdwijnen tussen de dikke mevrouw met teennagels zo lang als pasgeslepen potloodpunten en de meneer die rook naar een vreemde mengeling tussen ajuinen en gember stond ik in een hoekje van de ruimte tussen twee coupés en staarde naar mijn tenen (waarvan de nagels overigens een acceptabele lengte hadden).

Treinen zijn anoniem. Als het rustig is kan je naar de mensen kijken, en je afvragen waarom je jouw leven leidt en niet dat van hen. Als het drukker is doe je een halfhartige poging te verdwijnen en probeert te bedenken wat het verschil is tussen jou en de meneer met de sterke lichaamsgeur, afgezien van jullie mening over hygiëne. Ik reis graag met de trein. Dat is een overblijfsel uit mijn kindertijd, toen ik met mijn moeder elke week naar de zee treinde. Ik heb nooit geweten waarom en heb het haar ook nooit kunnen vragen. Elke zaterdag stapten we, ongeacht de datum of het weer op de trein. Aan zee ging ze op de dijk staan en keek naar de golven, soms uren na elkaar. Toen ik klein was vertelde ze me verhalen die ze waarschijnlijk ter plekke uit haar duim zoog, eens ik ouder werd zweeg ze vooral. We stonden daar alleen maar, gingen nooit een winkel of café binnen en ons eten brachten we zelf mee. “Het is afzetterij”, zei ze meestal, “ze denken dat ze zoveel rijker mogen zijn omdar ze dicht bij de zee wonen, maar eigenlijk heeft iedereen op alles evenveel recht. Ook op de zee.” Misschien had ze vroeger niet naar de zee gemogen. Misschien was de zee de enige die haar gedachten kon bezweren. Misschien was ze gewoon een eenzame vrouw.

Eén keer ging ze een souvenirwinkel binnen en kocht er een grote schelp voor mij, die ze op mijn nachtkastje zette. “Dan kan je altijd de zee blijven horen”, legde ze ernstig uit, “Dan zal je je hem altijd blijven herinneren. Je mag nooit de zee vergeten. Nooit. Snap je dat?” Ik knikte, zei dat, zeker, ik het snapte, maar eigenlijk had ik geen idee wat ze bedoelde en was ik gewoon blij dat ik eindelijk, na al die uitstapjes, eens een cadeautje had gekregen.
Twee weken later stierf ze.

Mijn vader was toen al een oude man met veel verdriet, en daar kon niets meer bij. Ik heb mijn grootmoeder wel eens horen sissen dat hij geen plaats had voor verdriet om mijn moeder. Mijn grootmoeder was een gemene vrouw met een grote mond en ik verdenk haar ervan nooit te weten wat ze zei.

Mijn vader heb ik in elk geval nooit zien huilen noch lachen. Hij was een ernstige man die het beste met me voorhad, maar een beetje een vreemde manier had om dat te laten zien. Alles is daarna nooit meer hetzelfde geworden en ik heb de zee niet meer gezien sinds ik een klein meisje was. Mijn schelp zit in een doos onder mijn bed, bij de foto’s van mijn moeder en een oude teddybeer waar ik naar het schijnt te groot voor ben geworden. Ik heb de zee nooit vergeten. Ik hoef er alleen niet zo nodig mee samen te leven.

De sinaasappel kwam met een zachte plof vlak voor mijn voeten tot stilstand. Ik schrok verbaasd op uit mijn overpeinzingen en zocht naar degene die het stuk fruit daar had neergegooid. Een jongen met geelbruine ogen stond me schaapachtig lachend aan te kijken en gebaarde voor zover hij dat kon naar de grote zak sinaasappelen in zijn armen. De vrouw naast me bukte zich al, maar ik was haar voor en griste het stuk fruit weg. Ik glimlachte terug, vroeg me af wat één iemand ging doen met zoveel sinaasappelen en legde degene die hij verloren had weer bovenop de stapel, om hem meteen weer op te vangen toen hij wegrolde. De jongen lachte opnieuw toen ik mijn poging herhaalde en met gefronste wenkbrauwen zijn aankopen begon te herschikken. “Misschien moet je hem maar opeten”, besloot hij uiteindelijk toen bleek dat de wegloper zich echt liever in mijn armen dan in de zijne bevond. Ik bedankte hem, stopte de sinaasappel in mijn tas en moest me toen verrast aan hem en zijn zak fruit vasthouden omdat de trein stopte. Hij glimlachte opnieuw. Dit keer perste ik me tussen hem en de meneer die me met zijn lichaamsgeur ondertussen zowat gijzelde en wist nog net op tijd tussen de treindeuren door te springen. Ik deed alsof ik de bestraffende blik van de conducteur niet zag en probeerde zoveel mogelijk uit de zon te blijven.

’s Avonds zat ik met mijn vader op het terras en pelde mijn sinaasappel. “Ik wist niet dat we nog sinaasappels hadden”, was de verbaasde reactie. “Ik heb hem gekregen op de trein”, antwoordde ik en beet op mijn tong toen de voorspelbare raad niet zomaar iets aan te nemen van vreemden kwam. “Het was geen vreemde”, loog ik en stopte het eerste stukje in mijn mond. Het vruchtvlees was zoet en sappig. Ik vroeg niet of hij ook een stukje wou. Het antwoord zou toch nee geweest zijn.

Ik noemde hem de Treinjongen. In mijn hoofd, want daar was hij het meest. De volgende drie dagen namen we samen de trein van 16.47, ik altijd wensend dat ik anoniem kon leven en hij met een grote zak fruit. We spraken nauwelijks, maar hij gaf me elke keer een glimlach van herkenning en bood me een stuk fruit aan. De derde keer zei ik dat ik niet zou willen dat hij een stuk te weinig zou hebben. “Het valt niet op”, beweerde hij en duwde me een appel onder mijn neus terwijl hij met zijn andere hand een halfslachtige poging deed de zak in evenwicht te houden. Ik hoopte maar dan hij nooit de drang zou voelen acrobaat te worden en miste mijn halte omdat ik op mijn knieën appels zat te rapen.

“Sorry”, verontschuldigde hij zich, en: “ik moet er hier uit.” We wandelden zwijgend naar de uitgang van het station, waar ik op zoek ging naar een bushokje. We namen geen afscheid.

Mijn moeder deed nog van die dingen. Ze zette zich een keer een hele namiddag voor de plaatselijke supermarkt met een polaroid en fotografeerde iedereen die binnen- of buitenging. Nadien deed ze mij de foto’s cadeau. “Voor een familiealbum”, zei ze. Ik deed er twee avonden over (als klein kindje is een avond kort) ze allemaal in te plakken en elke keer hoorde ik mijn ouders achteraf ruzie maken. Het ging over opvoeding en waarden en mijn moeder schreeuwde dat ze aan die flauwekul niet meedeed. Ik geloof niet dat het mijn vader is die me de belangrijkste dingen geleerd heeft.

Een andere dag gingen we picknicken in onze voortuin, waar heel de tijd auto’s voorbij raasden. “Ik vind dit niet leuk”, vertelde ik haar en maakte aanstalten mijn vader te gaan halen. Toen dacht ik nog dat hij de dingen oploste. “Je moet je ogen dichtdoen en je voorstellen dat de auto’s er niet zijn”, antwoordde ze. “Eten is veel leuker met je ogen dicht.” Ik deed wat ze zei. Op het einde hing er choco aan mijn neus en smeerkaas in mijn oren, maar de auto’s waren bij mijn weten verdwenen.

“Van wie krijg je al dat fruit toch?” vroeg mijn vader humeurig toen hij met zijn krant bij me kwam zitten. Het begon een beetje af te koelen en ik had een oud tafelkleed om mijn benen gewikkeld. “Een oude vriendin”, loog ik en nam nog een hap van mijn appel. Hij vroeg niet verder, maar liet weten dat hij er het zijne van dacht door zijn krant open te slaan en hem zo hoog voor zijn gezicht te houden dat ik zijn neusharen er bijna vanonder zag piepen.
De dag erna was een zaterdag. Ik hing een beetje rusteloos rond en las een boek dat ik niet begreep. Het was nog steeds onmenselijk warm en iedereen met wat gezond verstand bleef in de bescherming van de airconditioning of een ventilator. Ik luisterde naar mijn schelp en bladerde door mijn familiealbum. Er stond niemand tussen die ik kende, maar dat is ten slotte bij de meeste familiealbums zo.

’s Maandags begon de vakantie en was het plots veel rustiger op de trein van 16.47. Voor het eerst sinds lang had ik weer een zitplaats. De plaats naast me werd ingenomen door een oude vrouw met een wandelstok op het moment dat de Treinjongen hetzelfde ging doen. Hij rolde (niet zo) ongezien met zijn ogen, gaf me een kiwi en liep toen twee zitplaatsen verder. De plaats naast hem bleef leeg.

“Excuseer me”, mompelde ik tegen het vrouwtje, klom langs haar heen en vroeg me af of ik nu heel erg belachelijk en doorzichtig handelde. De Treinjongen had zijn zak fruit naast zich neergezet en nam die weer op zijn schoot toen hij mij zag rechtstaan.
“Ze bleef maar met die stok op mijn teen duwen”, legde ik uit en zette mijn rugzak tussen mijn voeten. Hij glimlachte alleen maar. Het bleef even stil. Misschien toch iets te doorzichtig. “Wat doe je daar toch allemaal mee?” vroeg ik uiteindelijk en knikte naar de zak op zijn schoot. “Het is niet van mij”, antwoordde hij vrolijk, “ik koop het alleen maar. Het is voor een oude man die zelf een hekel heeft aan reizen. Ik geloof dat hij het schildert en daarna uitdeelt.” Ik vroeg me in stilte af of zulke mensen echt nog bestonden. “Maar dan mag je dat niet zomaar aan mij geven”, antwoordde ik uiteindelijk. “Ik geef dat niet zomaar aan jou”, reageerde hij droog, “en bovendien vindt hij dat helemaal niet erg.” Ik geloofde er niets van, maar hield mijn mond, want zijn eerste argument had me uit mijn lood geslagen.

“Je mag er ook twee hebben”, bood hij aan en stak de zak naar me uit. Ik had nooit geweten dat kiwi’s zo zoet roken. “Nee”, reageerde ik geschrokken, “één is genoeg.” Hij haalde zijn schouders op. “Ik moet er hier uit”, mompelde ik toen en sprintte haast de trein uit. Vlak voor ik de trap van het perron naar het station afliep, keek ik nog om. De trein vertrok en hij keek me aan door het raam, een bedachtzame blik in zijn ogen.
Pas toen ik bijna thuis was besefte ik dat ik in al mijn haast mijn rugzak was vergeten.

Nadat mijn moeder gestorven was, dacht ik dat ik dubbel zo verdrietig moest zijn, aangezien mijn vader zijn deel niet op zich kon nemen. Ik stopte al haar foto’s, de schelp en een trui die nog naar haar rook in een doos. Mijn vader sprak nooit over haar, ook al vertelde ik hem verhalen over wat we samen gedaan hadden, verhalen waarvan ik wist dat hij ze niet kende. Ik zag hem nooit huilen, dus huilde ik dubbel zoveel. Er was een week in hartje winter dat ik een zonnebril droeg, omdat mijn ogen zo rood en opgezet waren. Daarna leerde ik dat je verdriet niet meet aan het aantal tranen, noch aan het aantal verhalen dat je vertelt.

Hij had mijn rugzak voor me bijgehouden en er een extra kiwi in gestopt. We stonden weer tussen twee coupés in, meer omdat er anders zoveel mensen waren dan bij gebrek aan plaats. Hij had kersen bij vandaag. Massa’s kersen. “Wat breng je hem in de weekends?” vroeg ik nieuwsgierig en stal een kers die van de stapel afrolde. “Elke keer iets anders.” Hij herschikte de zak zodat er nog drie kersen vielen. Ik kon me niet herinneren ooit zo gezond geleefd te hebben. “Zoals?” Ik spuwde de pitten uit in een (ongebruikte) zakdoek. “Keien. Dakpannen. Glazen. Een bak zout.” Hij glimlachte. “Dat laatste was omdat het gesneeuwd had.”
“En dit weekend?” Ik vroeg me af hoe hij die man kende. Waarom hij dit deed. Wat hij dacht. Wat hij voelde. Wie hij was.

“Ik ben inspiratieloos”, beweerde hij, “een voorstel?”
Ik was even stil en keek naar de voorbijflitsende bomen. “Schelpen”, stelde ik uiteindelijk voor. “Schelpen”, herhaalde hij nadenkend, “oké. Nemen we de trein van kwart voor negen naar de zee?” Ik voelde mijn mond openzakken en bracht een paar onsamenhangende klanken uit. De arme jongen dacht waarschijnlijk dat ik aan een of andere acute psychische ziekte leed, want hij keek dodelijk geschrokken en stamelde een verontschuldiging. Ik was me er vaag van bewust dat de trein stopte aan mijn station. Er stapten mensen af, maar ik was nog steeds op zoek naar een antwoord toen we weer vertrokken. “Oké”, perste ik er toen uiteindelijk uit. Hij lachte opgelucht. “Prachtig.”

“Je bent weer zo laat”, mopperde mijn vader, “hoe komt dat?” Ik mompelde iets over vertraging en zei dat ik zaterdag niet thuis zou zijn. Hij sloeg zijn ogen ten hemel en verdween met zijn krant en een fles wijn naar zijn slaapkamer. Ik luisterde naar mijn schelp en huilde tot het tijd was om te eten.

“Waar ga je heen, zaterdag?” vroeg mijn vader toen we op het terras zaten. Ik sneed een kiwi in twee en stopte een kers in mijn mond. “Ik ga naar de zee”, antwoordde ik en at een stukje kiwi. Mijn vader keek geschrokken op van zijn sportkatern. “De zee? Wat ga je daar doen?”
“Schelpen zoeken.”Ik keek naar de lucht, die steeds lichter blauw werd. “Waarom zou je nu naar de zee gaan”, mompelde hij zachtjes. Ik wist niet goed of het een retorische vraag was, dus bleef ik fruit eten.

“De zee mag je niet vergeten”, glimlachte ik uiteindelijk stilletjes.
Behalve het ritselen van de krant kwam er geen antwoord.

Negen jaar nadat mijn moeder gestorven was, rond mijn zestiende verjaardag, ontmoette ik mijn eerste vriendje. Hij was slim en knap en ik kon maar niet ophouden met denken hoe gelukkig ik was. Ondertussen ben ik zijn naam vergeten (dat wil ik toch), maar ik weet nog dat hij grijze ogen had, en een afzichtelijke groen-met-blauwe-trui, die hij maar bleef dragen omdat hij beweerde dat iedereen die zo mooi vond. Ik had het lef niet hem van het tegendeel te overtuigen.

Op mijn zestiende verjaardag nam ik hem mee naar mijn kamer en liet hem de doos met de schelp en het familiealbum zien. Terwijl hij over mijn haar streek vertelde ik hem verhalen over mijn moeder. “Ze was speciaal, snap je”, trachtte ik hem uit te leggen, “ze was niet zomaar zoals iedereen. Is dat niet mooi? Misschien mag je nooit zomaar… zo zijn. Nooit zomaar jezelf.” Mijn vriendje glimlachte lusteloos en duwde het familiealbum aan de kant. Ik glimlachte gekwetst en duwde hem mijn kamer uit.

Mijn vader had hem nooit gemogen. Hij vond hem een leegloper, en nooit goed genoeg. “Er zal geen enkele jongen zijn die goed genoeg is”, had ik gezegd en hij had me gelijk gegeven. Toen ik de leegloper die dag buiten gooide, stond hij zwijgend toe te kijken. “Ik wil er niets over horen”, waarschuwde ik hem. Hij knikte alleen maar.

De volgende dagen stak de Treinjongen me telkens twee stukken fruit toe. “Maar ik eet geen twee hele meloenen”, protesteerde ik de eerste keer. Hij haalde zijn schouders op. “Dan geef je hem maar weg.” Ik gaf hem aan de buurvrouw, die verbaasd haar schouders ophaalde en me min of meer bedankte. “Meloen?” vroeg mijn vader verbaasd. “Meloen”, bevestigde ik en gaf hem een stuk. We zaten zwijgend te eten. “Ga je alleen naar zee?” vroeg hij toen plots. Hij keek me aan. Zijn felblauwe ogen stonden kalm en geïnteresseerd. Ik aarzelde en voelde hoe ik begon te blozen. “Ik heb iemand leren kennen op de trein”, gaf ik toen maar toe, “een vriend.” Hij knikte alleen maar. “De jongen van het fruit?” Ik vroeg me af hoelang hij me al doorhad en antwoordde bevestigend. Heel even meende ik zijn mondhoeken te zien trekken. “Je moeder en ik…” Als een wesp gestoken ging ik rechter zitten. Hij keek naar buiten, er hing een ontspannen trek rond zijn mond en hij was duidelijk diep in gedachten verzonken. “Je moeder en ik leerden elkaar kennen…”

“Ik had jouw leeftijd”, zei hij nadenkend, “zij was wat jonger. We waren buurjongen en buurmeisje.” Er speelde een vage glimlach rond zijn mond. “Onze slaapkamerramen waren vlabij elkaar, gescheiden door een klein gangetje tussen de twee huizen.” Er zat een glans over zijn ogen die ik niet kende.
“Net als Pyramus en Thisbe”, glimlachte ik. Hij keek me verstoord aan. “Wat?” Ik lachte. “Niets.”

De Treinjongen had die vrijdag niets meer gezegd over de zee, dus liep ik op zaterdagochtend zenuwachtig naar het station in de hoop dat hij het niet vergeten was. Dat hij zich niet bedacht had.

Het was redelijk rustig op de trein, met al het slechte weer dat voorspeld was. Met een steeds groter wordende knoop in mijn maag liep ik de trein door, steeds kwader op mezelf, tot ik opeens iemand “meisje!” hoorde roepen. Ik draaide me om met mijn vingers gekruist in de zakken van mijn rok en zag de Treinjongen op me toelopen, een beetje onvast op zijn benen door de bochten die de trein aan het nemen was. “Hoi”, groette ik aarzelend toen hij voor me stilhield en zich even aan mijn schouders overeind probeerde te houden. “Dag meisje.” Hij ging op een lege plaats zitten. Ik nam naast hem plaats en diepte een rekkertje op uit mijn zak om mijn haren samen te binden. De Treinjongen bood me een koek met chocolade aan. Blij nam ik hem aan en zei iets dom over verandering van spijs dat deed eten. Hij schoot in de lach. Hij had een aangename, lichtjes hese lach, alsof zijn stem nog niet goed wist welke kant hij uit wou.

“Dus”, zei hij toen we de eerste halte voorbij waren en ‘nog’ maar drie kwartier te gaan hadden, “wat is dat, met jou en de zee?” Ik keek verbaasd op. “Hoezo, ik en de zee?” Als hij glimlachte, trok hij zijn rechter mondhoek iets hoger dan de linker, merkte ik. “Ik hoop dat het niet door mij is dat je zo lang twijfelde.” Ik had kunnen zeggen dat dat normaal was, dat hij praktisch een vreemde was, of dat het hem niet aanging. Maar dat deed ik niet. Ik vertelde hem over mijn moeder en de zee, en de schelp, en daarna automatisch ook over het familiealbum en de picknick.
Nadat ik uitgepraat was, bleef hij een tijdlang stil en keek me nadenkend aan. Ik stond op het punt me te verontschuldigen voor al mijn gepraat toen hij bijna verlegen opmerkte dat hij er zeker van was dat ik op mijn moeder leek.

Later picknickten we op het strand met twee chocoladekoeken. We vonden heel veel schelpen (en kochten er twee). Hij voerde de enige boterham die hij bij zich had gehad aan een zeemeeuw en na mijn opmerking dat dat enge beesten waren zat hij me achterna terwijl hij met zijn armen flapperde en vreemde geluiden maakte. Er waren veel mensen, maar alleen wij waren niet zomaar zo. Niet zomaar onszelf.

“We komen nog terug”, zei hij toen we op de trein zaten en ik een tevreden zucht slaakte. En we kwamen nog terug. Want de zee mag je niet vergeten.
Nooit.

zondag 19 juli 2009

030

Woensdag 16 april Jaar 1

"Ik moet je iets vertellen."

De gang was bijna verlaten op dit moment. Om half vijf was niemand nog op school, behale dan de mensen die hun turnzak vergeten waren en daar een half uur naar moesten zoeken. Iemand sloeg verbaasd het deurtje van zijn locker dicht en keek me met opgetrokken wenkbrauwen aan alvorens zijn zwarte schooltas over zijn schouder te gooien en schijnbaar onopvallend zijn broek op te trekken. Ik glimlachte onbewust. "Wat moet je me vertellen?" vroeg hij, enigzins op zijn hoede, al kon het zijn dat ik me dat verbeeldde.

Ik keek hem gedurende twee seconden recht aan, in zijn bruine ogen die lichter leken dan anders (het hing soms van het licht af) en vroeg me af waar ik mee bezig was. Iemand en ik mochten dan goede vrienden geworden zijn, ik was er negenennegentig komma negen procent zeker van dat hij niet op iemand als ik zat te wachten. Alleen woog die nul komma nul één procent op dat moment veel zwaarder. Een leerkracht liep ons voorbij. Ze was waarschijnlijk de slechtste leerkracht die ik ooit zou hebben (kon dingen niet uitleggen, maakte zelf continu fouten, luisterde niet naar ons en voelde zich heel de tijd bedreigd door haar eigen leerlingen, waardoor ze zich heel defensief ging gedragen en zich probeerde te profileren als strenge leerkracht (wat haar niet lukte) en barstte in het midden van de les uit in tirades of hoe erg ze onze klas haatte), maar ik glimlachte toch. Iemand stopte het sleuteltje van zijn locker in de zak van zijn zwarte jeansbroek. Ik slike. Wat moest ik nu zeggen? Ik had gewoon mijn mond moeten houden.


"Ina", improviseerde ik snel en meende een flits van opluchting over zijn gezicht te zien trekken, maar ook dat kon ik me verbeeld hebben, "ik maak me zorgen." We begonnen in de richting van de fietsenstalling te lopen. "Ik ook", antwoordde hij nadenkend, "maar wat doe je eraan."

"Er is iets mis bij haar thuis", vatte ik snel alles wat we wisten samen. Iemand knikte, zette zijn boekentas op zijn bagagedrager en ging op zoek naar zijn fietssleuteltje. "Het is alleen zo raar dat ze er niks over zegt", ging ik verder terwijl ik zijn voorbeeld volgde. "Vraag het haar dan?" suggereerde hij en trok zijn fiets uit het rek. Ik zweeg. Ik moet de laatste tijd al zoveel vragen aan mensen, was het enig dat ik kon bedenken, maar dat leek me te riskant. Iemand stapte op zijn fiets en wachtte geduldig tot ik het gevecht met mijn snelbinder gewonnen had. "Ik zou niet weten wat ik moest zeggen als het echt heel slecht nieuws zou zijn", mompelde ik somber terwijl ik me achter hem aan naar de schoolpoort begaf. "Daar gaat het niet om", reageerde hij, "het gaat erom dat je gewoon naar haar luistert. Laat merken dat je om haar geeft." Ik deed een gevaarlijk manoeuvre tussen twee auto's en reed naast hem de straat op. Ik vroeg me af of ik nu moest zeggen wat ik had willen zeggen. Of dat verstandig zou zijn. Ik keek stiekem naar de zijnkant van zijn gezicht toen hij halt hield bij een stoplicht.


"Misschien ben je bang dat het ook op jou een impact zou hebben", zei hij toen plots en heel even was ik vergeten waar het over ging en staarde hem geschrokken aan. Mijn reactie leek hem in de war te brengen. "Ina", trachtte hij zich te verduidelijken. "Oh!" riep ik uit en had mezelf op dat moment het liefst diep onder de grond begraven. "Ik weet het niet", was alles wat ik nog durfde te zeggen.

We reden een tijdje in stilte verder over een smal wegeltje, tot ik (zogezegd) tussen neus en lippen vroeg hoe het met zijn groepswerk stond. Hij aarzelde voor hij antwoord gaf. "Goed", besloot hij uiteindelijk, "bijna af." Ik merkte luchtig op dat je een groepswerk per twee maar moeilijk een groepswerk kon noemen en hij lachte, maar zelfs ik kan beter nep lachen.

De weg naar huis leek me plots langer en kouder dan anders. We werden voorbij gestoken door een groepje meisjes van ongeveer twaalf jaar. Ze giechelden zo hard mogelijk en ik vroeg me af of ik ook zo geweest was. ("Erger", zei Broer later, "je was een twaalfjarige die dacht als een bejaarde. Daar kan je alleen maar ongelukkig van worden." Ik sloeg hem en durfde niet te vragen wat hij daarmee bedoelde.)


"Ik ga hier afslaan", zei Iemand plots, "als je het niet erg vindt. Dan kan ik een kortere weg naar Sara nemen." Ik zwaaide bij gebrek aan woorden, negeerde wat hij nog zei over Ina en deed mijn best de verdere weg naar huis niet te huilen.


Ik vroeg me vaak af wat ik verkeerd deed. De kerstvakantie kwam en klasgenoten gingen weg. Met vrienden, naar god weet waar. Fuiven waar ik niet vanaf wist en waar ik eigenlijk ook niet heen wou. Ik had naar Lily geglimlacht toen ik haar voorbijliep. Ze had naar de grond gestaard en was sneller gaan lopen. Ik was gevallen met mijn fiets vlak voor Emmeline haar ogen. Ze had geaarzeld, maar ze was niet gestopt. Nee is nee. Ik had Ina gevraagd wat er mis was. Ze had gezegd dat het thuis allemaal moeilijk ging en verder niets. Ik had aangevoeld dat dat niet alles was. Ik had gezwegen. Ik had Iemand en Sara samen gezien. Gewoon samen. Ik had toch gehuild. Hij had mij gezien en onopvallend geknikt. Ik had gezwegen.


Mensen willen mij niet kennen. Daar ben ik niet tof genoeg voor. Niet 'hip' genoeg. De mensen die blijven jaag ik zelf weg. Misschien ben ik niet gemaakt om gelukkig te zijn. Niet bedoeld om vrienden te hebben. Misschien moet de wereld altijd een paar keer mislukken, om alles in balans te houden. Hoe kan alles nu zo moeilijk zijn - hoe kan alles nu zo verkeerd zijn. Ik weet niet wat er nu misgelopen is - ik weet dat uiteindelijk alles misloopt. Ik weet niet wie er nu weggegaan is.

Ik weet dat iedereen weggaat.

zaterdag 27 juni 2009

029

Dinsdag 14 april Jaar 1

Nu het eindelijk warmer begon te worden, besloot ik dat ik Broer wel eens kon gaan opzoeken. Op de trein kwam ik naast een oud omaatje terecht dat me vriendelijk toeknikte en zich weer in haar tijdschrift verdiepte. Ik luisterde naar een triest liedje op mijn mp3-speler en dacht aan hoe alles nu verder moest. Ik had er geen idee van, besloot ik en wst niet goed of ik nu verdrietig of opgelucht moest zijn.

Broer had gezegd dat hij me op het station met zijn autootje zou komen oppikken, dus sms'te ik hem terwijl ik van de trein stapte. Onwillekeurig moest ik de hele tijd om me heen kijken terwijl ik naar de uitgang van het gebouw liep. Ik wist dat Iemand hier ook woonde en ik wist dat de kans reëel was dat ik hem zou tegenkomen (ook al was dat natuurlijk nog nooit gebeurd). Hij was nog steeds een vriend van Broer, en nu ik alle emoties van toen weer aan het oprakelen - en herbeleven - was, was hij weer degene waar ik instinctief steeds weer naar zocht. Ik dacht aan de jongen die ik op mijn werk elke dag zag en vroeg me af wat Iemand anders maakte. "Het feit dat hij hier niet is", zei een stemmetje achterin mijn hoofd, "alles wat gebeurd is en dat je hem nooit hebt kunnen uitleggen." Ik glimlachte wrang en ging op de treden voor het gebouw zitten om op Broer en zijn voertuig te wachten. Wat ik zou geven om nog eens een kwartier met hem te kunnen praten.

Broer was er na drie minuten. Ik stapte in en zette mijn tas tussen mijn voeten. "Dag zusje", glimlachte hij en draaide het sleuteltje om in het contact. Ik vroeg hoe het met hem ging. "Goed", antwoordde hij, "goed." Ik keek hem argwanend aan, vroeg me af of hij nu de waarheid sprak, gezien het nieuws dat we allebei een week eerder gekregen hadden.

"Mis je haar niet te erg?" vroeg ik voorzichtig. Broer haalde zijn schouders op en schakelde, misschien iets bruusker dan eigenlijk had gemoeten. Daarna keek hij mij kort aan en vroeg met een lichtjes onvaste stem, zo licht dat ik me afvroeg of ik me dat nu verbeeld had, hoe het ging. "Alles in orde", was mijn antwoord, dat nog minder zei dan het zijne. Broer glimlachte een glimlach die ik niet meteen begreep. "Ik heb toevallig net bezoek", zei hij toen, "maar dat is geen probleem." Dat leek me onwaarschijnlijk, maar ik vroeg toch maar wie het weerzien van Broer en mij zou verstoren. Hij noemde een naam waarvan ik ik pas na een paar seconden doorhad wie ermee bedoeld werd en ik sperde geschrokken mijn ogen open. "Maar! Had dat gezegd!" Broer maakte een geluid dat tussen een lach en een zucht inhing. "Als ik het gezegd had, was je helemaal niet langsgekomen en zou het nog eeuwen geduurd hebben eer ik je nog eens gezien had."

"Dramaqueen", protesteerde ik en keek uit het raampje, meer bewust dan onbewust de straat afzoekend. "Het is meer dan negen maanden geleden dat jullie elkaar nog gezien hebben", antwoordde Broer rustig, "nu zou dat toch moeten lukken." Hij parkeerde zijn auto zonder enige moeite en liep voor me uit naar de lift waarvan hij wist dat ik er bang in was. We zwegen allebei terwijl de lift omhoog ging. Ik vroeg me af of ik zou flauwvallen als ik mijn adem maar lang genoeg inhield.

Broer stak zijn sleutel in het slot en keek me toen waarschuwend aan. "Niet gillen." Ik deed een poging met mijn ogen te rollen, maar was zo bang dat ik zou gaan flauwvallen of overgeven dat ik gewoon eens knipperde. Broer glimlachte, blijkbaar heel trots op zichzelf (waarom was me een raadsel) en opende de deur. Ik trilde helemaal toen ik achter hem aan naar binnen liep en ongemakkelijk om me heen keek.

En daar zat hij. Hij zat met zijn rug naar ons toe en bladerde in wat waarschijnlijk een tijdschrift van Broer was. Broer gebaarde dat ik net als hij moest gaan zitten en kondigde luchtig aan dat hij dus terug was. Iemand keek geschrokken op en glimlachte ergens in onze richting. Ik ging braaf zitten en keek Broers kleine appartementje rond. Hij haalde een glas cola en twee bierflesjes uit de koelkast terwijl hij rustig praatte en af en toe een vraag stelde aan één van ons. Onze antwoorden waren kort. De spanning was te snijden. Ik bedacht me dat ik beter thuis was gebleven toen Iemand mijn blik ving en vroeg of alles goed was. Hij was altijd al degene die het liefst de vrede bewaarde. Ik antwoordde dat alles inderdaad goed was en herhaalde toen de vraag. "Alles onder controle", glimlachte hij en deed er toen weer het zwijgen toe. Broer zat ons geïnteresseerd gade te slaan. Ik wou dat ik hem kon slaan zonder dat het zou opvallen.

Hij was nog steeds dezelfde. Zijn haar was een paar centimeter langer dan zijn gewoonte was en zijn ogen gingen schichtiger van het ene voorwerp naar het andere dan ik me kon herinneren, maar zijn stem klonk nog steeds even kalm, zijn houding was nog steeds dezelfde en hij droeg nog steeds van die lelijke broeken die onvermijdelijk afzakten. Ik wist niet of ik daar blij om was. Ik had waarschijnlijk gehoopt dat hij iemand anders was,

Iemand en Broer begonnen te praten over een televisieprogramma dat ik niet gezien had en mensen die ik niet kende. Daarna ging het even over Zus. "Ja, hoe gaat het mer haar?" vroeg Iemand bezorgd en bracht zijn bierflesje naar zijn lippen. Broer schokschouderde een beetje. "Steeds beter, zegt ze."

"Ik moet er binnenkort nog maar eens heen", mompelde ik, niet erg enthousiast. Het was alweer te lang geleden. Broer knikte instemmend. We waren alledrie even stil. Iemand dronk veel sneller dan Broer. Ik dacht aan wat ik op het station gedacht had, aan hoe graag ik hem toen had willen zien. Hij voelde mijn blik en forceerde een kleine glimlach die ik niet kon plaatsen en die niet bij hem paste. Broer beweerde dat hij naar de wc moest en liet ons alleen. Wat studeer je nu weer, vroeg ik, ook al wist ik dat al lang. Hij noemde iets met veel wiskunde en wetenschappen. Ik vroeg me af waarom iemand zo'n saaie richting zou willen volgen, maar zei niets. Hij vroeg niet "en jij", goddank. Hij vroeg of ik dacht dat alles in orde was met Broer. "Natuurlijk is alles oké", zei die laatste en ging weer zitten. Ik meende dat ik Iemand zag blozen, maar dat was nog onwaarschijnlijker dan wat Broer net gezegd had.

"Ik ga maar eens naar huis", mompelde Iemand en stond op. Ik knikte en deed mijn mond open om te zeggen dat het fijn geweest was hem nog eens te zien.

"Wacht!" We keken allebei verbaasd naar Broer. Hij opende zijn mond en sloot hem weer, friemelde verlegen aan de rand van zijn bierflesje. "Wat?" vroeg Iemand en ging weer zitten. Broer kuchte. "Ik moet jullie nog iets zeggen." Ik zag Iemand zijn typische nieuwsgierige gezicht trekken en keek ongemakkelijk naar Broer, die zenuwachtig van mij naar Iemand en terug keek.

"Ik ga naar Brazilië." Iemand trok glimlachend een wenkbrauw op, alsof hij dat allemaal al lang uitgedokterd had, ik herstelde me na een geschrokken kreet en vroeg plagerig: "Maar je mist haar niet?" Broer glimlachte. "Jawel", zei hij, "jawel, ik mis haar wel. En daarom ga ik haar achterna."

vrijdag 26 juni 2009

028

Zaterdag 12 april Jaar 1


"Is er niemand die jou gezelschap wil houden?" vroeg Iemand verbaasd. Ik ging naast hem op het stenen randje van het grasveld zitten en zei iets over Ina die naar de bijles wiskunde was en dat ik dat beter ook kon doen, maar dat het nu dus te laat was. "Zo", was alles wat hij zei en legde zijn gsm als mp3-speler tussen ons in. Als je dat subtiel doet, mag dat. Zogezegd.

"Hoe ging je groepswerk?" Als je dat subtiel vraagt, mag dat. Zogezegd. "Hoe gaan groepswerken meestal", antwoordde hij schouderophalend, "internet dat uitvalt en de printer die leeg is." Het was niet zijn internet waar ik in geïnteresseerd was geweest (alhoewel alles in verband met Iemand me interesseerde), maar ik wist niet hoe ik het gesprek nu subtiel in de juiste richting moest sturen, dus zweeg ik maar, tot Iemand plots rechtveerde en wees: "Kijk, dat is Sara." Ik keek op van de grassprietjes die ik aan het bestuderen was geweest en deed mijn best vriendelijk te glimlachen naar het meisje dat op ons toe kwam gelopen, ook al wist ik meteen dat ik haar niet aardig vond.


"Ann, Sara, Sara, Ann." Iemand gebaarde van mij naar haar en terug. Sara glimlachte breed naar mij en zei iets in de trant van "Nu weet ik dus wie je bent." Ik glimlachte terug en zei niets.

Sara was inderdaad blond. Haar haar was op kinlengte geknipt en ze had blauwe ogen en een frêle gezichtje. Ze droeg toen een skinny jeans die ik meteen lelijk vond (ik vind dat soort broeken sowieso nooit mooi, maar het stond haar ook gewoon niet) en een dikke zwarte jas die iedereen had. Ik keek naar mijn eigen blauwe jas, een kleur die dit jaar naar het schijnt helemaal verkeerd was (maar wie koopt er nu elk jaar een nieuwe winterjas?) en vroeg me af of het dat was wat haar zo leuk maakte, dat ze net zoals iedereen was.

Terwijl Sara praatte (het was waar wat Broer gezegd had, ze praatte inderdaad veel) over hun groepswerk en het vak dat ze net gehad hadden (geschiedenis, blijkbaar een echte marteling) waren het vooral haar ogen die me opvielen. Ze had levendige, sprekende ogen en ze keek Iemand de hele tijd (maar echt de héle tijd) recht aan, alsof hij de enige was tegen wie ze sprak. En Iemand keek terug (ze hadden dus dezelfde gewoonte, besefte ik, ze keken allebei mensen recht aan als ze tegen hen spraken), en hij lachtte en maakte grappen en verwijzingen die ik niet begreep. Af en toe keek hij nog eens in mijn richting, alsof hij zich ervan wou vergewissen dat ik er nog was (of, dacht ik, misschien wil hij dat ik zie hoe goed ze met elkaar kunnen opschieten en wil hij me ontmoedigen, maar dat was gewoon een typische Ann-gedachte).

Na een paar minuten nam Sara Iemand zijn gsm en ging zelf op zoek naar muziek die haar beviel. Ik vroeg me af of hij mij dat zou laten doen. Ze zette een nummer op waarvan ik wist dat het Iemand het verschrikkelijk vond. Hij glimlachte en keek naar haar terwijl ze over het toestelletje gebogen zat. En toen besefte ik zo plots dat de tranen in mijn ogen schoten dat Sara en ik geen grotere tegenpolen hadden kunnen zijn, en dat Iemand op Sara verliefd was


Je gaat er altijd vanuit dat mensen op je zullen wachten. Dat er een kracht is waar wij geen weet van hebben die ervoor zal zorgen dat alles goedkomt en dat op het einde alles is zoals het zou moeten zijn. Ik geloofde dat toch, in elk geval, en ik denk veel mensen met mij. Hoe zou je in deze wereld kunnen overleven als je weet dat alles verkeerd zal gaan?

Waarschijnlijk had ik Iemand overschat, geïdealiseerd en was ik ervan uitgegaan dat hij wist dat ik hem graag zag, dat hij dat besefte en dat hij geen ander vriendinnetje zou krijgen. Ik dacht dat ik tijd had. Ook al was ik al drie jaar aan het twijfelen, ik dacht dat ik nog een beetje meer tijd had.

Ik had op voorhand wel kunnen bedenken dat Iemand niet zou blijven wachten, en ik had moeten beseffen dat mensen hun geduld niet onuitputtelijk is, maar dat is net hetgeen wat ervoor zorgt dat je vooruit blijft gaan. Natuurlijk doet het pijn, en alles gaat zo vaak verkeerd. Maar ik ben een dromer, dus ik kan niet stoppen met geloven in een betere wereld, meer kansen, minder twijfels. Uiteindelijk heb je nooit een garantie dat de dingen juist zullen gaan, het is alleen maar de mogelijkheid daartoe die ervoor zorgt dat je blijft vasthouden.


"Het kan nog alle kanten uit", zei Ina wijs. Ze was een tijdje stil geweest toen ik haar over mijn vermoedens verteld had. We zaten op mijn kamer, ik hing tegen mijn bed en zij zat op de vensterbank. "Liefst de goede", mompelde ik en gooide met een verdwaalde knuffelbeer. "Zorg daar zelf dan voor." Dat was een stomme opmerking. Ik gaf geen antwoord, maar keek haar aan. Ze zag er moe uit, en ze leek niet meer op zichzelf. "Is er iets?" vroeg ik en analyseerde onderzoekend haar reactie. Ze haalde haar schouders op. "Ruzie thuis." Ik kon zien dat ze loog, maar ik was te bang voor wat ze anders wou zeggen. "Tja, ouders", antwoordde ik dus zacht, en zei dat ze wel bij ons mocht blijven eten. Ina glimlachte en knikte, vroeg lachend wat ze toch zonder mij zou doen. Dat deed mij aarzelen, want ik had altijd het gevoel dat ik het Ina veel moeilijker maakte dan zij mij. "Zo'n goede vriendin ben ik nu ook weer niet", mompelde ik dus maar, maar ik zei opnieuw niet wat ik eigenlijk wou zeggen. Dat Ina misschien een verkeerd beeld van mij had, dat ze me beter voorstelde dan ik eigenlijk was, en dat ze me op een dag een keer goed zou bekijken en dan zou zeggen 'huh, waarom ga ik in godsnaam al zo lang met zóiets om' en zou maken dat ze wegkwam. Ina is er het type niet voor, maar je moet niet bij mensen blijven die je ongelukkig maken. Dat is slecht voor je.


Op het moment dat ik nog iets ging zeggen kwam Broer binnen. Hij had nog steeds niet leren kloppen. Hij glimlachte naar Ina en zei dat er telefoon was voor mij. "Voor mij?" vroeg ik verwonderd en keek naar mijn gsm, die toch geen enkel geluid gemaakt had. "Wie is het?" Broer mompelde iets dat ik niet meteen begreep en gooide me toen het toestel toe, waarna hij een gesprek begon met Ina.

"Hallo met Ann?" vroeg ik voorzichtig aan de telefoon. Ik hield niet van bellen, zeker niet als ik niet wist wie zich aan de andere kant van de verbinding bevond. "Dag Ann", zei een stem die mij vaag bekend voorkwam. Ik fronste mijn wenkbrauwen. "Met wie spreek ik?"

"Je spreekt met Warre", zei de stem en ik fronste nog meer, "is je zus thuis?"

"Waarom vraag je dat niet aan Broer?" vroeg ik verbaasd en keek die laatste boos aan. Hij keek verward.

"Dat heb ik gedaan, maar ik was vergeten dat hij twee zussen heeft", klonk het antwoord. Ik lachte en kwam overeind. "Moment."

"Zus!" riep ik in de gang, tokkelde op haar kamerdeur en duwde die open. "Zus, telefoon voor jou." Zus keek op van haar schoolwerk en stak haar hand uit. "Wie?"

"Warre", antwoordde ik en en ging toen weer terug naar Broer en Ina, die een film die ik niet kende aan het bespreken waren. "Hij had Zus nodig, niet mij", legde ik uit. Broer trok een verbaasd gezicht. "Maar hij vroeg naar jou?" Ik schudde mijn hoofd. "Je hebt twee zussen. Hij vroeg naar Zus." Broer rolde met zijn ogen. "Ann, ik ben niet doof, hij vroeg of hij Ann kon spreken." Daar moest ik even over nadenken. "Je zal dat dan wel verkeerd begrepen hebben", besloot ik en ging weer zitten, omdat dat de veiligste oplossing was nu.

"Misschien heb jij het wel verkeerd begrepen", glimlachte Ina. Ik gromde iets over samenspannen en oneerlijkheid. Ze glimlachte onschuldig. Broer stond weer op en liep haastig naar de deur. "Ik heb nog schoolwerk", deelde hij mij en verdween toen. Ik begreep het niet, maar Ina haar blik zei dat ik er misschien beter niet achter vroeg.

donderdag 25 juni 2009

027

Donderdag 10 april Jaar 1


December

"Ann, waarom wou je me nu zo absoluut spreken?" vroeg Broer half verveeld toen ik naast hem aan de computer ging zitten en nieuwsgierig op zijn scherm keek. Hij was een stom tennisspelletje aan het spelen, en hij verloor nog ook. "Je verliest", zei ik. "Dat is omdat ik, in tegenstelling tot jou, mezelf uitdaag en de moeilijkheidsgraadbalkjes moeilijker zet, terwijl jij de moeilijkheid op nul zet", antwoordde hij. Ik zweeg. Hij keek me van opzij aan en haalde toen zijn schouders op. "Dan niet."

"Wie is Sara?" onderbrak ik hem in zijn volgende zin. Broer aarzelde en staarde zwijgend naar zijn scherm. Game over, werd hem verteld. "Een vriendin van Iemand", zei hij voorzichtig terwijl hij zijn balkjes weer volsleepte. "Gewoon een vriendin?" Hij haalde zijn schouders op. "Dat zal wel zeker. Waarom vraag je hem dat zelf niet?" Ik zweeg, want hij wist heel goed waarom ik hem dat zelf niet vroeg.

"Ik weet niet hoe het zit tussen Iemand en Sara", besloot Broer uiteindelijk, "sorry." Ik wist niet of de sorry gemeend was, maar ging er ook niet naar vragen, dus trok ik me terug in mijn kamer en deed alsof ik een boek las terwijl ik Ina sms'te met de vraag wat ik nu moest doen. Kalm blijven, zei ze, alleen kalmte kan je redden. En niet teveel nadenken. Dat was vast een grap, bedacht ik en keek verstoord op toen Broer binnenkwam. "Wat?" Hij reageerde niet op mijn botte vraag, maar leunde tegen mijn vensterbank en bleef daar een tijdje nadenkend staan. "Wat voor iemand is ze?" vroeg ik toen plots. Broer keek me kort aan en haalde toen zijn schouders op. "Weet ik veel. Ik heb haar één keer gezien. Ze is blond. Ze praat veel." Hij haalde zijn schouders nog een keer op om aan te geven dat hij het dus ook niet wist. "Vraag het hem zelf", herhaalde hij nog eens en ging toen weer weg.

Broer moet je gehoorzamen, heb ik al eens gezegd.


"Ga je weg?" vroeg ik toen Iemand opstond en zijn fiets overeind trok. Het was kwart na vier, en ik stond te wachten op Ina aan het begin van het fietspad. "Ik heb een groepswerk", antwoordde hij, "met Sara, en anders kom ik te laat." Ik beet op mijn lip, dacht aan wat broer gezegd had en keek hem na terwijl hij zijn hand opstak en aanstalten maakte om weg te fietsen. "Je moet haar eens voorstellen", flapte ik eruit. "Sara." Iemand keek om, staarde me twee seconden aan en knikte toen een beetje weifelend. "Oke." En daarna ging hij weg.

"Volgens mij heeft Iemand me door", zei ik tegen Ina zodra ik haar zag. Ik had verwacht dat ze zou schrikken, of op zijn minst verbaasd zou zijn, maar ze knikte alleen maar. "Eindelijk." Ik trok een verontwaardigd gezicht. "Hoezo eindelijk? Hij mag dat helemaal niet weten!" Ina zuchtte, haar Ann-heeft-het-weer-eens-niet-door-en-het-is-nog-zo-logisch-zucht. "Natuurlijk moet hij dat weten. Dat is wel zo praktisch en zo." Ik rolde met mijn ogen, maar kon geen antwoord bedenken dat minstens even waar was.


"Hoi, ik ben Warre."

Verbaasd draaide ik me om en deed een poging vriendelijk te glimlachen naar de jongen die het gesprek van mij en Zus verstoord had. Hij droeg geen bril vandaag en ook al had hij zich net vriendelijk voorgesteld, hij had blijkbaar geen zin om te glimlachen, dus deed ik dat maar in zijn plaats. "Ann."

"Klasgenoot", legde Zus uit toen ik haar aankeek en herhaalde toen nog eens dat ik zeker tegen mama en papa moest zeggend dat ze later thuis moest zijn omdat ze met haar vriendje naar de kermis ging. Ik vroeg maar niet welk vriendje dat dat was, want ondertussen was ik de tel kwijtgeraakt. Daarna vroeg ze aan Warre of hij haar cursus bijhad, waarop Warre op zijn beurt aan mij vroeg of ik de zus van Zus was. Ik knikte. "Jullie lijken helemaal niet op elkaar", zei hij verbaasd en keek van mij naar Zus en van Zus naar mij. Zus rolde met haar ogen en herhaalde haar vraag over de cursus. Warre keek nog even naar mij (ik keek naar de grond, want de grond en ik zijn altijd al beste vriendjes geweest) en antwoordde toen dat hij haar die in de klas wel zou geven. Daarna vroeg hij aan mij of Zus een leuke zus was. Met al mijn sociale talenten keek ik hem eerst aan alsof hij gek was geworden en mompelde toen dat dat wel meeviel. Zus gaf me een goedbedoelde duw tegen mijn schouder.

Later die dag kwam ik hem nog tegen in de gang. Hij knipoogde en zei dag Ann.

"Is dat niet die enge jongen?" vroeg Ina verbaasd. Ik antwoordde bevestigend.


Ik was 15 en ik geloofde nog in Sinterklaas.

Dat zei men toch. Dat ik nog in sprookjes geloofde. En in Sinterklaas.

Ik heb lang in de Heilige Man geloofd, zelfs nog lang nadat mijn ouders me verteld hadden dat dat eigenlijk niet hoefde. Ik dacht dat ik deel uitmaakte van een select groepje dat zich niet liet ompraten door al die stomme oude mensen. Ik dacht de Sint alleen maar zou ophouden met langskomen als jij ophield met in hem te geloven en dat al die stomme gevallen in mijn klas, die om ter luidst riepen dat ze al die kinderverhaaltjes maar flauwekul vonden, er niets van kenden. Om mezelf te bewijzen zette ik een paar avonden voor 6 december mijn schoen met een brief zonder iets tegen mijn ouders te zeggen.

Toen leerde ik dat opgroeien geen keuze maar een verplichting is. En dat je het noodlot beter niet kan uitdagen, maar je gewoon je mond moet houden.

Een jaar en een half later ging ik, met nog minder levenswijsheid dan eerst, naar de middelbare school. En daar leerde ik hem - nog eens drie jaar en een beetje later - kennen.

Ik was zo naïef. Zo klein. Toen dacht ik nog dat alle mensen goed en lief en vriendelijk waren. Als een rare man me een snoepje had aangeboden, was ik waarschijnlijk samen met hem gezellig een potje gaan zitten huilen van ontroering.

Ik weet niet of hij zich mij nog herinnert.

Ik hem wel.

zaterdag 13 juni 2009

026

Dinsdag 8 april jaar 1

Een paar dagen later ging ik 's avonds babysitten op drie kleine kindjes van een vroegere leerkracht.

Normaal zou ik zo'n dingen niet doen, normaal zou ik willen dat leerkrachten leerkrachten bleven en al de rest uit de weg gaan. Alleen lag het nu anders, omdat leerkrachten heel af en toe niet alleen leerkrachten zijn, maar je ook echt iets willen bijbrengen, je echt willen doen nadenken en niet willen dat je hun lokaal uitgaat voor je kunt zeggen dat je niet alleen nutteloze feiten geleerd hebt, maar dat je ook meer weet over de wereld om je heen. Ik heb zo maar een paar leerkrachten gehad, waarvan één mijn leerkracht Latijn van dat jaar. Verder was er de leerkracht geschiedenis waar ik al over gesproken heb, en dan deze.

Hij was zowel een vriend van mijn ouders als mijn leerkracht van het zesde leerjaar. Ik noemde hem nog steeds meester, omdat mensen volgens mij maar één aanspreking hebben die bij hen past, en ook gewoon omdat het zo raar klonk om hem niet zo te noemen. "Dag Ann", groette hij toen hij de deur opende. Ik stond nog maar net in de gang toen hij al een filosofisch onderwerp op mij afvuurde, want daar waren wij goed in. De kindjes zelf waren vrolijk en verlegen, het jongste stak haar duim in haar mond en verborg zich achter de benen van haar mama terwijl de twee andere me nieuwsgierig aankeken en zich duidelijk afvroegen of ik wel normaal was. Godzijdank heb ik hen daar nooit een antwoord op moeten geven.

"Alles goed op school?" vroeg de leerkracht en keek afwezig naar zijn vrouw, die zich afvroeg waar ze de kaarten voor het toneelstuk nu weer had gelaten. Ik knikte, haalde mijn schouders op. "Bijna examens, dat kan altijd beter." Hij knikte, dacht mijmerend aan zijn eigen goede oude tijd. "Heb jij nu al mondeling Latijn?" Ik schudde mijn hoofd. "Aan het einde van het jaar pas", en voegde er heel stil 'godzijdank' aan toe terwijl het middelste kindje op de zetel sprong, deed alsof ze een schip kaapte en toen met haar liefste glimlach aan haar papa vroeg of ze straks heel alsjeblieft een beetje chips mochten eten. Ik glimlachte en knipoogde naar het jongst meisje, dat breed glimlachte en zich toen weer verstopte.

Eens hun ouders vertrokken waren, nestelden de twee meisjes zich in de sofa terwijl hun grote broer met zijn autootjes ging zitten spelen. Het kleinste meisje kroop stilletjes en haast onopvallend op mijn schoot en stak haar duim in haar mond. Ik glimlachte, haalde een hand door haar haren en babbelde vrolijk met hen mee over kinderliedjes, beste en allerbeste vriendinnen en hinkelen op de speelplaats. Een mens moet zijn prioriteiten kennen.

Later, toen ik al dat jong geweld er toch min of meer van had kunnen overtuigen dat slapen goed voor je was (af en toe moest ik hen zeggen dat je niet in slaap viel door te fluisteren) ruimde ik hu rommel op, vouwde hun kleren op en vond een stapeltje koelkastpoëzie waar ik me een tijdje mee bezighield. De film op tv was er één van het thrillergenre, maar in plaats van de televisie op een andere zender te zetten had ik per ongeluk op de uit-knop geduwd, en daarna kreeg ik hem niet meer aan de praat, dus speelde ik noodgedwongen met stapeltjes woorden en maakte de meest onlogische zinnen. Uiteindelijk vormde ik 'Het liefste verdriet blijft een zwart verhaal.' Ik slikte, bedacht dat ik misschien toch de oud was voor zo'n kinderspelletjes en legde de woorden weer op één stapel.

Daarna kreeg ik de tv toch weer aan de praat (er zit ook een knop op het ding zelf) en luisterde naar een politicus die zei dat de jeugd van tegenwoordig zich van de maatschappij niets maar aantrok, en niets van de wereld kende. Ik siste hem toe dat dat misschien door zíjn onderwijssysteem kwam, dat we beter een uur wereldkennis zouden krijgen in plaats van het herkennen van renaissancemuziek, en daarna schreef ik voor mijn Doos:

En soms word ik echt ziek van het systeem in ons land. Hoe iedereen alles voor iedereen behalve zichzelf naar de knoppen helpt en daarna dan niet eens anderen maar alleen zichzelf een hand boven het hoofd houdt. Politici menen dat ze de wereld kunnen veranderen, en maken alles dan alleen maar erger. En de jeugd van tegenwoordig, die opgegroeid is met ellende op televisie en chaos om zich heen, die kennen dan zogezegd hun waarden en principes niet meer. In een wereld waarin iedereen zichzelf verloochent en niemand nog weet welke kant we nu eigenlijk uit moeten zouden wij degenen moeten zijn die hun hoofd boven water houden en de volwassenen weer op het juiste spoor trekken. Terwijl wij woordenlijsten vanbuiten leren en de meesten van ons niet eens het verschil kennen tussen politiek en leugens (if at all), ruïneren zij onze wereld voor later, en terwijl ze zelf nep en zonder idealen zijn tot in de kist, zijn wij de verdorven generatie. Terwijl we niet snel genoeg kunnen opgroeien, ouders zo snel mogelijk hun vrijheid terug willen, wordt er geklaagd over onze grote mond, onze kritiek, dat we de wereld willen verbeteren zonder dat we er iets van afweten. Leerkrachten zeggen dat we kritisch mogen zijn, maar eigenlijk willen ze vooral dat we hen gelijk geven. We mogen wel idealistisch zijn en ons inzetten voor de goede zaak, maar alleen als het niet te erg opvalt, of als anderen er voordeel uit kunnen halen.

Ik wil later niet zeggen dat gelukkig zijn het belangrijkste is, terwijl eigenlijk niemand, jij niet en ik niet, nog weet hoe dat moet. Als er verandering komt, zal dat van ons moeten komen. Het zijn wij die de wereld moeten laten weten dat wij later óók nog een plek om van te houden willen. 'De jeugd van tegenwoordig' geeft wél om de wereld, we krijgen alleen de kans niet.

 
design by suckmylolly.com