woensdag 6 januari 2010

Alles samen (2).

Kortverhalen.

Bart Peeters – Zeester met koffie.

Duffel halfnegen,
Speelplein van de kleuterklas,
In de rij en juf Katrien
Keek of iedereen er was

We waren prachtig gedresseerd,
Goedemorgen juf Katrien
Ik stond tussen Bob en Marga,
De rest kon ik niet zien

De bel maakte een snerpend geluid en op de speelplaats hielden alle jongeren een fractie van een seconde hun adem in. Er hingen donkere wolken boven hun hoofden toen ze hun rugzakken (meestal veel te zwaar voor veel te tengere ruggen) op hun schouders hesen en naar hun klaslokaal begonnen slenteren. De zeven lange lesuren die zich voor hen uitstrekten, maakten niemand vrolijk en dat was te merken aan het zoemde geroezemoes dat de gangen begon te vullen, nu iedereen zijn weg baande naar een leerkracht die hem niet interesseerde en een vak dat hij niet graag volgde.

We waren allemaal doodgewoon,
behalve Cynthia Roos,
Het ging niet om haar gekke naam,
Maar om haar boterhammendoos.

In onze trommel zat gewoon
een boterham met ei,
maar vroeg je het aan Cynthia,
weet je wat ze dan zei;

Een meisje leunde verveeld tegen de muur bij haar klaslokaal, wikkelde haar sjaal van rond haar hals en haakte die aan de kapstok, waardoor er waarschijnlijk een gat in zou komen - iets dat haar niet kon schelen. Met haar rugzak over haar linkerschouder bekeek ze haar klasgenoten, die tegen iedereen praatten behalve tegen haar, niet eens moedwillig. Het meisje bestudeerde hun ruggen, hun schouders en de manier waarop ze hun lippen tuitten en weer van elkaar haalden, zoals vissen dat ook doen. Dat haar klasgenoten vissen waren, was iets dat ze graag wou geloven.

Ze zei: Zeester met koffie,
en een mandarijn
een boterkoek met confituur
en een stukje marsepein

Onze ogen vielen open,
we waren nog heel klein
Zeester met koffie,
en meer moet dat niet zijn.

Andere klassen werden binnengelaten in hun lokaal, willen of niet, maar die van het meisje bleef een beetje verloren in de lange gang staan, tot ook de laatse medeleerlingen verdwenen en ze op zichzelf aangewezen waren. Er werd gepraat, gespeculeerd over ziektes en afwezigheden. En dan in de verte, felle tikken op een tegelvloer. Iedereen wist: dit is een vrouw met haast en iedereen besefte: we komen er niet zomaar vanaf vandaag. De vrouw in kwestie kwam de hoek om, met een gebreide vest die om haar enkels fladderde en haren die driftig van links naar rechts vlogen, alsof ze haar wilden aanmanen nog net iets sneller te gaan. Ze greep alvast haar sleutels, prikte met haar schoenen de tegels aan stukken en baande zich zoals Mozes een weg door haar zee van leerlingen. De deur zwaaide open, zij beende naar binnen. En in de gang keerde iedereen in stilte terug naar zijn maandagochtend-humeur.

Cynthia stond lachend
een beetje verder in de rij
Ze zei: Ik heb het wel gezien,
Jij hebt een boon voor mij

Ik werd rood, ik stamelde:
Cynthia, alsjeblieft
Ze keek achter m’n oren,
Want tot daar was ik verliefd

Het meisje had lang geloofd dat naar school gaan nuttig was. Maar nu, wanneer ze haar tas op de grond liet ploffen en zich herinnerde dat het weer over de doorsnee van een plantencel zou gaan, begon ze daar sterk aan te twijfelen. Van zodra ze zat, dwaalden haar gedachten af naar Jip en Janneke, kleine meisjes met rode laarsjes die in regenplassen sprongen en achteraf trots thuis verkondigden dat ze getrouwd waren. En dat ze veel kindjes zouden krijgen, dat natuurlijk ook. Nu vertelden ze thuis dat ze gebuisd waren op wiskunde en dat ze naar de openluchtfuif wilden volgende zaterdag. En dat er een nota in hun agenda stond, dat natuurlijk ook. Het meisje tekende een sterretje en vroeg zich af wanneer ze gestopt was met haar prinsessenjurken en vlechtjes.

Zeester met koffie,
en een mandarijn,
een boterkoek met confituur,
en een stukje marsepein

Hersenen zijn als pudding
die tussen je oren rijpt
Zeester met koffie,
tot je dat begrijpt

En vijftig lange minuten later klonk er geschraap van metalen stoelpoten op de tegelvloer, haastten duizend vijfhonderd leerlingen zich de gangen door naar de volgende les, die ze eigenlijk ook niet wilden volgen. Meer dan eens werden jaloerse blikken geworpen op de kleutertjes, die buiten speelden en druk ruzie maakten over wie mama, papa en hond was. Ik was ik en jij was jij, maar dat zijn we ondertussen allebei al moe. Het meisje dacht aan haar jongen, met wie ze in de kleuterklas alleen maar ruzie maakte en die ze sindsdien nooit meer gezien had. Hij was papa en zij was mama, maar soms ook gewoon een keukenkastje. Zo’n dingen gebeuren, en zeker als je vier bent en menselijk meubilair tekort komt. Het leven van een keukenkastje is vast veel simpeler, dacht ze met enige spijt en sprong van een laag trapje.

We speelden tikkertje en Batman
en omdat Cynthia dat soms wou
ook wel iets iets romantisch,
bijvoorbeeld man en vrouw.

M’n kleine broer beweerde
dat hij priester was
en hij heeft ons erin geluisd
Hij verbond ons in de echt;
maar toen zijn we verhuisd.

Wat doe ik hier, dacht het meisje toen ze keek naar de vreemden om zich heen en zich oprecht afvroeg waar het allemaal toe moest dienen. Waar zou ze later het meest mee zijn: weten hoe je een vierkantsvergelijking ontbindt of kunnen dansen in de regen? Ze voelde aan de vlecht in haar haren en wenste dat het er twee waren, ze staarde naar haar leerkracht wiskunde en wenste dat ze hem uit kon wissen. Vandaag hebben we een les bolletjes schilderen, zou ze dan zeggen, en iedereen een clownsneus met bollen laten maken. Clownsneuzen, daar had ze altijd al van gehouden. Maar zoiets kon je natuurlijk niet aandoen naar school, hoe graag ze ook de clown uithing, af en toe.

Zeester met koffie,
en een mandarijn,
We gingen weg uit Duffel,
het lot kan gruwelijk zijn.

Ik was een trouweloze hond,
zoals dat wel eens gaat
Ik droom nog regelmatig dat
haar pa mij op mijn bakkes slaat.

Ooit ben ik hier weg, dacht het meisje, en dan ga ik weer huppelen en knuffelen, liedjes zingen en met poppen spelen. Maar je verleden krijg je niet terug en een achttienjarige krijgt geen barbiehuizen meer cadeau, maar dikke cursussen letterkunde en grammatica. Zo gaat dat in het leven en het meisje wist dat ze haar voornemens niet zou waarmaken, maar soms zijn woorden het enige om je aan vast te houden en kan je beter doen alsof. Doen alsof je nog een klein meisje bent, want dan ben je gelukkiger. Haar klasgenoten dachten dat het belangrijk was alle evenementen af te schuimend in de weekends, zoveel mogelijk jongens te leren kennen en zoveel mogelijk harten te breken. Het meisje was het buitenbeentje, maar ze kon niet zeggen dat ze het erg vond. Tenslotte had het been aan de buitenkant de meeste ruimte om zich te bewegen.

Zeester met koffie,
en een mandarijn,
een gebroken hart met confituur,
en meer moet dat niet zijn.

Ik heb Cynthia nooit meer teruggezien,
wat tactloos is en dom
‘t is daarom dat ik principieel
nooit meer in Duffel kom

Afscheidbrief a/e geliefde: versie II

Ik wist meteen dat het mijn fout was toen alles verkeerd ging. En ik weet dat jij dat ook wist. Ik weet dat we in het begin deden alsof er niets aan de hand was. Wanneer we buiten zaten, lachten we nog steeds even hard om de regendruppels waaronder we bedolven werden, en wanneer we binnen zaten, deed ik nog steeds alsof ik bang was voor spinnen, omdat jij dat niet bent en ik nooit je ego zou willen krenken.

Misschien weet je nog dat wij in het begin alleen maar met woorden praatten. Misschien ook niet, maar misschien weet je nog dat onze ogen daar pas veel later bijkwamen. Na een tijd begon ik toen zelfs schoenzolen te gebruiken, omdat je bij jou nu eenmaal het gevoel hebt dat het alles of niets is. Jij had het liever alleen bij stemgeluid gehouden, maar ik ben koppig en bovendien bestaat het leven nu eenmaal uit een aaneenschakeling van compromissen. Jij noemde het een aaneenschakeling van fouten, maar je bent nu eenmaal altijd al de slimste van ons twee geweest.

Dit is de laatste brief die ik je zal schrijven. Buiten gaat het licht langzaam uit, en ik heb geen zin om de wereld te bedriegen en het binnen langer aan te laten. Vroeger hing jij voor mij lichtgevende figuren aan het plafond.

Vroeger is voorbij.

Voor alles misging, was jij mijn synoniem. Over betekenissen hebben wij nooit erg moeilijk gedaan. Pas toen het dan uiteindelijk gebeurde werd het gevaarlijk, pas toen ik besefte dat je waarschijnlijk veel gelukkiger bent als je altijd een tolk bij de hand hebt. Dan had die mij kunnen vertellen wat je eigenlijk bedoelde toen je zei dat je mij begreep. Dan had die kunnen zeggen dat dingen waarheid worden als je ze één keer teveel ontkent. Maar ik had geen tolk en jij kende je eigen woordenschat niet, dus zat er niets anders op, en daarom was het uiteindelijk allemaal verkeerd.

Ze zeggen dat vreemdelingen altijd onbekend zijn. Ik zeg dat jij een bekende vreemdeling was en de meerderheid ten slotte degene is die beslist heeft dat de meerderheid altijd gelijk heeft. Het leven telt al genoeg hypocrieten. Ik ga je hierna niet meer schrijven. Ik ga je hierna niet meer zien, spreken, horen, lezen of laten neerpennen. Ik ga je zelfs niet meer achterlaten of inhalen. Hierna zijn wij en alles voorbij. Tenslotte is de wereld een zolderluik dat altijd op een kier staat. Tenslotte was niets verkeerd geplaatst, maar alles kwijt.

Nadat ik vergiftigd was, kende ik alleen maar bijbetekenissen. Ik wou alleen maar weggaan, want dat is wat het zijspoor doet. Ik wou jou alleen maar achterlaten, want wat er niet bijhoort gaat altijd weg van het grote geheel. Jij was helemaal heel. Ik een beetje.

Samen waren wij nog niet eens een half.

Ik zal al je letters vergeten. Ik zal uiteindelijk je stemgeluid niet meer herkennen en na heel lang zal ik niet meer weten hoe jij het krulletje aan je j schreef. Dan pas ben ik niet langer ontleed, dan pas kan ik niets meer betekenen: uiteindelijk waren wij altijd al puntkomma’s. En uiteindelijk is het alles of niets.

Bladmadeliefje en haar keukenprins.

Iedereen kent natuurlijk het bekende verhaal over Doornroosje, maar slechts weinigen kennen dat van haar tweelingzus, Bladmadeliefje. Dat kwam zo:

Lang, lang geleden werd er in Sprookjesland een tweeling geboren. Dat was een ramp. Want voor elk kind was één prins voorzien, maar als er een tweeling geboren werd, was er maar één prins voor hun beiden… Daarom werd er in Sprookjesland heel lang geleden al beslist dat, in het geval van een tweeling, één van de twee kinderen vermoord zou worden. Het was een gruwelijke oplossing, maar in het andere geval zouden er zeker vele familiedrama’s plaatsvinden en was de kans op een Happy End miniem. En dat was waar het om draaide in Sprookjesland; Happy Endings. En als er dan een kind vermoord moest worden, tja, dan was dat heel erg, maar dan was dat maar zo.

Nu wil het toeval dat het Koninklijk Koppel dat deze tweeling moest opvoeden, die mening helemaal niet deelde. Zij zagen hun kinderen doodgraag en wisten dat ze het niet zouden overleven moest één van hen gedood worden. De gedachte alleen al leek hen gruwelijk en dreef hen tot het uiterste. Koningin Bloem stortte vele tranen, terwijl Koning Plant een oplossing probeerde te zoeken. Eén dag voor de moord op één van de twee kinderen, besloten ze ten einde raad de Goede Fee erbij te halen. Die had immers zwijgplicht en kon dus niets verklikken. “Ja”, zuchtte de Koningin opgelucht toen haar man dat voorstelde, “laten we dat maar doen. Het is de enige hoop die we hebben, niet waar?” De Koning knikte en snelde meteen het kasteel uit om naar de Goede Fee te gaan, die net aan haar spreekuur zou beginnen. Hij mocht zich dus wel wat haasten, anders zou er al een hele rij met mensen staan die ook een wonder nodig hadden. Hij sprong op zijn beste paard en reed in galop naar het Boshutje van de Goede Fee.

Zoals hij verwacht had, zaten er in de wachtkamer al een aantal mensen, maar gelukkig viel de hoeveelheid nog erg goed mee. Het waren er vier en twee van hen hadden maar een heel klein probleem, want ze waren bijna meteen weer buiten. De volgende twee waren iets langer binnen – één van hen was zo depressief dat hij bij elke stap eerst een minuut hysterisch moest huilen om het overgewicht aan tranen kwijt te raken – maar uiteindelijk was het dan toch aan Koning. Hij keek de depressieve man, die met een geel parapluutje zingend naar buiten huppelde, nog eventjes na en ging toen binnen. Het kabinet van de Goede Fee was oud, maar nog steeds erg netjes en gezellig. “Ahh, Koning Plant”, zei ze goedgehumeurd toen hij binnenkwam, herschikte haar grijze knot op haar hoofd en kwam overeind uit haar gebloemde zeteltje. “Ga zitten, ga zitten”, humde ze en drukte hem neer op het gestreepte fauteuiltje. “Waarmee kan ik u van dienst zijn, beste man?” Verwachtingsvol keek ze hem aan van boven haar blocnote. Koning wrong zenuwachtig zijn handen en schraapte zijn keel. “Ik… Mijn vrouw en ik hebben dringend uw hulp nodig, Goede Fee. Het gaat over onze dochters.” De Goede Fee knikte meelevend en maakte een begrijpend geluid. Dat het koppel Bloem-Plant een tweeling had gekregen, had zich natuurlijk verspreid als een lopend vuurtje. “We zijn het niet eens met de moord”, vervolgde Koning, “en ik dacht, misschien weet u een oplossing…”

De Goede Fee zuchtte eens diep, duwde haar bril verder op haar neus en leunde achterover. “Dat is een heel moeilijke kwestie”, zei ze toen en krabde op haar hoofd. “Ja”, knikte de Koning. “Ik zie maar één oplossing”, zei de Goede Fee na een lange tijd, “iets anders kan ik echt niet bedenken.” Hoopvol keek Koning Plant haar aan. Goede Fee dacht eventjes na hoe ze dit nu juist moest verwoorden en begon toen aan haar uitleg.

“Ik kan een keukenkastje of een lepel of zo, omtoveren in jullie dochter, zo dat men haar niet kan vermoorden. Maar natuurlijk, dan moet jullie tweede dochter evengoed verdwijnen. Daarom stel ik voor haar op te sluiten aan de andere kant van Sprookjesland, in het Torendeel, waar alle ongewenste prinsessen in torenkamers opgesloten worden. Daar moet ze dan blijven tot niemand nog weet wie ze is en dan kan ze doen alsof ze gewoon geen ouders heeft…” De Goede Fee leek het zelf een goed idee te vinden, maar voor Koning Plant was het een klap in zijn gezicht. Want welke ouder zou zijn kind nu willen opsluiten in een hoge torenkamer? “Ach ja, ik heb geen andere keus, zeker”, zuchtte hij toen en ging akkoord. “Geweldig!” riep de Goede Fee en snelde naar haar bureau, “ik ga meteen een paar bewakers bellen.”

Zo gezegd, zo gedaan. Goede Fee toverde een nachtkastje om in een kindje. Plant en Bloem besloten na lang discussiëren dat ze hun ene kind – Doornroosje – bij zich zouden houden en het andere – Bladmadeliefje – zouden opsluiten in een torenkamer. “Dag lief meisje”, snikte Koningin Bloem toen de bewakers Bladmadeliefje kwamen halen. Hysterisch huilend stortte ze zich in de armen van haar man, die zelf ook moeite moest doen om zich groot te houden.

Jaren en jaren verstreken en al die tijd zat Bladmadeliefje helemaal alleen in haar Torenkamer. Nuja, helemaal alleen was ze niet. Er was een dienster, die elke dag een praatje met haar kwam maken en een kok, die voor heerlijk eten voor hun beiden zorgde. Bladmadeliefje groeide op tot een gezonde, jongvolwassen vrouw, het enige wat haar verschillend van andere meisjes van haar leeftijd maakte, was dat ze hele dagen uit het raam van haar torenkamer had zitten kijken, in de hoop dat er een vergissing gebeurd was, dat er tóch een prins was die haar moest redden. Er kwam niemand.

Toen Doornroosje zich prikte aan het spinnenwiel, viel ook Bladmadeliefje in een diepe slaap. In plaats van met haar te praten, kwam Dienster haar nu elke dag afstoffen en het voedsel dat de Koksjongen maakte, werd met een infuus in haar lichaam gebracht. Nu wil het toeval echter dat Koksjongen en Dienster rond die tijd een gesprek hadden, waarin aan het licht kwam dat de Koksjongen eigenlijk geen Koksjongen, maar een Prins was. “Een Keukenprins dus”, had Dienster gelachen en gevraagd waarom hij zijn prinses dan niet ging zoeken om met haar te trouwen. Koksjongen had wrang geantwoord dat er een vergissing was gebeurd, waardoor hij geen prinses had om mee te trouwen.

Toen Dienster terugdacht aan dat gesprek, sloeg ze zichzelf heel hard voor het hoofd en ze rende naar de keuken. “Koksjongen! Koksjongen! Ik heb de oplossing!” Keukenprins aka Koksjongen keek verbaasd op. “Wat heb je? Voor welk probleem?” Compleet buiten adem (erg veel conditie kweekte je niet in de Torenkamer – er was een lift, dus de trappen gebruikte bijna niemand) hield Dienster zich overeind aan de houden, robuuste tafel en ging zitten op een stoel. “Snap je het dan niet?” vroeg ze opgewonden, “het is zo logisch! Jij hebt geen prinses, Bladmadeliefje daarboven heeft geen prins! Ga haar wakker kussen en dan leven jullie”, ze sloeg haar handen in elkaar, “nog lang en gelukkig!” Keukenprins legde bedachtzaam zijn mes neer en staarde Dienster aan. “Maar dat gaat zomaar niet”, zei hij toen, “ze zal toch niet wakker worden? En wie zegt dat ze mij leuk vindt?” Dienster rolde met haar ogen. “Ze zal wakker worden, daar ben ik zeker van en ze víndt je leuk!” Keukenprins vroeg haar hoe ze dat wist, maar kreeg daar geen antwoord op (de reden daarvoor was heel logisch: Dienster wist het niet, ze gokte en hoopte dat ze juist was). “Kom op, het is het proberen toch zeker wel waard!” Keukenprins was het daar allesbehalve mee eens, maar beloofde, om van haar gezaag af te zijn, het toch eens te proberen. Dat Dienster hem meteen mee naar Bladmadeliefjes kamer zou slepen, dát had hij natuurlijk niet verwacht.

Dus daar stond hij dan, naast Bladmadeliefjes bed, zijn koksmuts in zijn handen en zenuwachtig heen en weer schuifelend. Hij had zich al drie keer naar haar toe gebogen, met de bedoeling haar te kussen, maar telkens had hij zich op het allerlaatste moment bedacht. En hij wist waarom; wat als ze niet wakker werd? Nu kon hij tenminste nog geloven dat ze dat wel zou doen (hoewel hij dat natuurlijk niet echt geloofde, want anders had hij haar gekust.). Wat hij echter níet wist, was dat Bladmadeliefje eigenlijk helemaal niet sliep! Integendeel, ze was klaarwakker en luisterde al een half uur naar het geschuifel en het zachte gemompel van Keukenprins, en ze was het onderhand wel beu. Toen hij zich eindelijk nog eens over haar heen boog, besloot ze dat het geen zin had te wachten tot hij zou durven, greep zijn kraag vast en kuste hem recht op zijn mond.

En ze leefden nog lang en gelukkig!

Alles samen (1).

Gedichten.

Ik wou dat ik
geworden was wat jij
wil zijn

Ik wou dat ik
altijd en onvoorwaardelijk
geschonken ben.

*

Niemand maakt mij
lyrischer vertrouwder met
lang geleden ging nog komen

zelfs was ik na
zo lang nog tevreden
zonder stem geweest

kon ik alleen maar
op lange termijn
veel verder komen.

*

Porseleinen problemen
breng ik wij naar hen
onthoud mij -
eens koud is vergeten

*

Ik ging weg
zoals mij dat verteld was
zonder wachten om
terug te komen

Achteraf bleven
we allemaal en vroeg
ik me af waar en wanneer
het verkeerd ging, of
jij beter had opgelet.

*

Voor jij wegging
was ik al verder dan voorbij
gegaan

Ook al beweert de wereld
niet is altijd beter,
na lang was jij mijn
afscheid

*

Blijf, zei ik
Kom dichterbij
herschik de afstand
rol een weg uit

Samen zijn wij
zoveel meer
gevolgen
gelogen

*

De wind boog je om
tot schrille pieken en
boorde gaten in de verte

Mijn verleden werd
onvoltooid en wij
gingen gewoon maar terug.

*

Gestolde verleden tijd
gesneden aan een
te scherp woord-
een keer te veel
te weinig gekeken

Was jij alles wat ik
had, was jij alles wat
nog moest zijn en was ik
alleen maar heel verkeerd -

Gingen wij veel te vroeg
naar nooit geweest of
was ik alleen maar -
alleen maar altijd met twee.



*

(In.)
Gebroken stukken -
waardeloze
verbeten anonieme afwezigheid

achtergelaten zonder
weg te gaan
teruggekeerd zonder
om te keren

gingen wij
elk veel verder weg
knal tegen elkaar

*

Mag ik je misschien
anders heten dan je
noemen wil

zullen we
hoofd over hielen
opsekop binnenstebuiten
vlinders vangen -

mag ik weggaan en ga jij
dan alsjeblieft terug
met mij weer.

*

Zoals dat
alleen maar is wanneer
jij er bent

gooi ik met mijn woorden
en kan ik met mijn eigen
geen blijf

geen verblijf, ver-blijf ik
alleen wanneer jij er bent

*

Ik schrijf omdat
dat het enige is
enig echt en zonder anders

met begin en midden
zonder letters zonder einde
rigoureus zoals alleen jij bent

Ik schrijf want -
wat zou ik doen.

*

Laat mij schuilen
in jouw letteren
slapen tussen komma's -
jouw taal de mijne maken

Ik zag je vechten met inkt -
gehoor geven aan
wat ons beiden verziekte

Ik laat je liefhebben
in de holte van een woord -
verdwalen tussen
verdwenen dwaasheid

Wat nooit zal zijn
moet nog komen.

*

Dof en zacht
met verschenen kleuren
spon ze mijn web -

was ik verloren tussen inkt,
liet mijn hoofd rusten
op verbeten verdwijningen

Later blies ik het
stof van mijn eigen neus
Wie zal jou
nu nog wiegen.

*

Miliseconden glippen
door mijn vingers
leugens aan elkaar
tot waarheid - was dit
alles wat ik kon zien
waren wij altijd
nooit.

*

Zal ik
Zal jij daar zijn als
dat nodig is

Is dit
voor niets
of gerechtvaardigd,
was ik weg

Moet ik tellen
tot het niet meer
verder gaat en wij weten:
nooit geweest.

*

Reizend tussen woorden en gedachten
Zoekend tussen mogen en niet
willen en wil, zacht zoet
weg.

Aarzelend tussen jou en mij
en mij en jou en wij
ooit.

(Misschien)
Ben ik de weg kwijt
tussen liever en liefst.

*

Zoals ik ooit
langs de waterkant waadde
met in mijn hoofd
alleen donkere eiken

Zoals jij ooit
besloot dat de
grashalmen voor ons
te lang waren

Breekt er altijd iets
wanneer iemand zich omdraait
en wegloopt terwijl
hij blijft.

*

Er waren flitsen in zijn stem
en ijs in koude ogen

Er waren vlinders in mijn hoofd
en stukken lood in lege schoenen

Achteraf was er de straat,
zonder huizen en het asfalt stonk

Achteraf waren er holle voetstappen
van degene die als laatste opstond

En er is altijd
heel veel niets voor iedereen geweest.

*

Hij ging weg en ik ging mee
mompelde dat het niemands schuld was
dat ik dat wist en het niet geloofde.

Hij speelde leerkracht, zei:
"Het laatste woord is eenzaamheid"
en samen één is meer dan twee.

Het werd koud en toen
nog kouder tot
hij wegging en ik mee.

Het gefluister was zacht
en vooral heel onbestaand.
Zijn laatste woord was neen
en dat van ons alleen.

*

Er zat een barst in je woorden
ik hoorde het toen je wegging
en al het glas rinkelde
van zoveel stotterende stilte

Ze gingen nooit tot weder-,
zwierven door je hoofd
en op de lijn van je lippen,
ook al afgeschreven.

"Kom terug", zei ik,
hamerde lijm op de wonde.
"Ga weg", zei jij,
sloeg het eindelijk aan diggelen.

*

Zal je je dan
zo zacht over me heenbuigen
als de wereld over het korenveld

en wil je dan
-alsjeblieft-
iets liefs fluisteren, iets
dat ik nog niet kan horen

Mag ik je daarna dan
stil vergeten -
weglopen
blijven weglopen zodat
het echt kan zijn.

*

De nacht was koud
en jij kil terwijl
je stond te fonkelen -
ze wijzen je de weg niet

Het kindje alleen
maar wij met twee dus
speelde ik ezel en
balkte moedig alle stenen van de baan.

Achteraf kwam de lawine
bracht je me gloeiend tot stilte
Wij zagen nooit
de weg die je niet wees.

*


(Water)wegen
Niemandsland was grijs en rusteloos
en de telefoonlijn aan mijn oor
zei alleen maar 'zzzzt'.

Ik keek uren mensen
negeerde de vijandelijke
zoutgeur van kwade vogels
en de stoomwolk uit je oren

Jij raapte een schelp
liet mij luisteren naar wat niet was
en ik kwam heel dicht
bij verder weg.

*



Ik zal ons puzzelen
breekbaar lijmen
met wat niet bestond

Ik zal je vinden
waar je niet bent
stekels van je lippen
knippen met de mijne

Ik zal me vlechten
tussen het groene van je trui
en het zwarte rond je ogen-
altijd liever.

*

Ik wou dat ik jouw hand
jij mijn hand
stil kon vasthouden omdat
dat gewoon zo moet zijn.

(Ik wil in een torenkamer
en wachten op wie
weet gewoon omdat
er dan altijd kans op dromen is)

Ik wou dat er een
bordje op de wereld hing
Je hoeft niet bang te zijn
Het komt altijd goed.

*

Als het meezit
dan vallen vandaag
mijn dromen

Krijg ik eindelijk
jouw wolken
in bruikleen

En gaat het
onvoorwaardelijk
over en weer

*

Met lieve woorden
fluister je mij
een overgave in.

Bijtend op mijn lip
tot het bloedt
en geen pijn meer doet

wil ik je ontwijken en
achtervolgen tot je kapseist
net als ik
overstag gaat.

Samen zacht ten onder.

*

Zoete pijn
met mondjesmaat
verdeeld over
de scherpe pieken
van een ik

die wacht tot
je weggaat
tot je nooit zegt
en weggaat

die wacht tot
je blijft.

*

Afscheidsbrief aan een geliefde

'k Ben vannacht weggegaan
Zoals je waarschijnlijk wel al gezien hebt
aan het lege glas in de gootsteen
of de zacht dichtgetrokken deur

'k Hoop dat je het zal begrijpen
-dat ik de wereld moest zien bedoel ik dan
om te zien of er meer is
dan de sprookjeswereld die jij bent

En als je dat moest begrijpen
of ook als je dat niet doet
krul je rode lippen dan nog eens
in een zoete glimlach, dat maakt je mooi

Je hoeft niet te denken
dat ik niet van je houd of hield of heb gehouden
of zal houden want 't zou je gek maken
en ik heb je liever zo

Maar moest mijn afwezigheid wegen
denk dan eens aan de kleur van mijn stem
was mijn lege glas af en vul het weer
met melk en suiker

Want eens dan kom ik terug
en dan eten we schelpen met zee
en zand, misschien
of verhalen van lichtblauwe lucht

'k Ben vannacht weggegaan
om de echte wereld te zien
om te zien of die werkelijk zoveel verschilt
van de sprookjeswereld die jij bent

Maar kom me maar niet achterna
Als sprookje ben jij mooier.

*

Weet je nog hoe wij samen
in een koude januarimaand
door de sneeuw liepen en ik
jou vroeg of je mij zag
en - graag - zag

En hoe jij toen lachte met
je donkere ogen die de sneeuw
bijna deden smelten
en mij ook wel een beetje

Ik zie je - en graag maar
je antwoordt met liefde - koud
als de sneeuw toen
in een koude januarimaand
en dan zonder het graag zien.

*

Maar ik houd wel van de stilte
Tussen ons twee omdat ik dan zo
Stilletjes naar de kleur van je ogen
Kan zitten kijken zonder dat jij
Hoeft te vragen waarom

En als de scherpe woordan alleen
De lucht tussen ons zouden
Kunnen kwetsen en ons beiden
Ongedeerd zouden laten

Dan zwijg ik liever samen met jou
Gewoon omdat je zo lief bent
En ook wel omdat ik soms
Niet weet wat zeggen
- Al geef ik daar niet jou
maar mezelf de schuld van -

Dus zullen we dan samen zwijgen
En woordeloos onze gedachten uitwisselen
Zodat ik die dan luidop voor mezelf
Kan herhalen voor moest jouw zwijgen
Ooit te luid worden.

*

Ik zal hier blijven staan
en wachten tot je terugkeert
En als je me dan ziet
verankerd in de grond,
met ijskoude handen
en een gebroken hart

Wees dan voorzichtig
als je mijn voeten losmaakt -
Neem mijn handen in de jouwe
tot ze ontdooien - en daarmee
de koude in mijn ogen ook
Maar wat je ook doet

Probeer mijn hart
niet te lijmen, te helen
Raap - misschien - alleen
de stukken op, begraaf ze
onder de grote treurwilg.

Vind daar mijn
verlangen toen je wegging
en ik achterbleef op het perron
Met in mijn hoofd zacht gerinkel
van mijn stille dromen
die je machinist genadeloos
het graf in joeg.

vrijdag 25 december 2009

The Ancient Commonsense Of Things.

(Naar het gelijknamige nummer van Bishop Allen)

De conducteur stond een eindje verder, aan de knop waarmee hij over een paar minuten de trein zou laten vertrekken. Hij werd aangeklampt door verschillende mensen die op het laatste moment toch nog een kaartje wilden kopen, maar liet er zich niet door van de wijs brengen.

Ik verplaatste mijn gewicht van mijn ene voet naar mijn andere en hees mijn tas hoger op mijn schouders. Het oude dametje naast me, met een kraag aan haar jas waar GAIA terecht woedend van zou worden, begon in de richting van het trappetje te schuifelen en ik besloot haar dan maar te volgen.

De trein van acht na was zoals gewoonlijk bijna verlaten. Dat verbaasde me elke keer opnieuw, maar misschien was dat niet zo verwonderlijk, aangezien ik deze trein twee, hoogstens drie keer per jaar nam. Niet dat ik daar problemen mee had.

Traag liep ik naar een lege zitplaats naast het raam. Ik ritste mijn jas open en maakte mijn sjaal los. Ik haalde hem niet van rond mijn hals en mijn jas hield ik aan, alsof ik daarmee de garantie had dat ik nog altijd rechtsomkeert kon maken, moest ik dat willen.

Het was bijna negen na toen de conducteur de trein op sprong en we begonnen te bewegen. Ik leunde achteruit, zette mijn tas tussen mijn voeten en staarde mismoedig uit het raampje terwijl we de stad uit reden. In het eerstvolgende station zou het al te laat zijn. Daar kende ik al niemand meer. Pas over anderhalf uur zou ik weer een bekende omgeving zien, voor zover je een omgeving die je twee keer ziet bekend kan noemen.

Soms vroeg ik me af waarom ik nog ging. De mate waarin ik me dat afvroeg was recht evenredig met de snelheid waarmee het vertrek dichterbij kwam, waardoor ik de voorbije weken amper geslapen had. Ik vroeg me af wat voor nut het had, en of hij wel zou willen dat ik er was. Het was koud, slecht weer en ik kende hem. Toch een beetje.
Ik wist dat hij van eenzaamheid hield. Er waren periodes geweest dat ik hem meermaals per week zag, voor alles anders werd en hij verdween, en toen was hij al erg goed in het negeren van mensen. Als ik vragen stelde die hij niet wou beantwoorden, bijvoorbeeld. Als ik te dichtbij kwam en hij me liever op een afstand hield.

Er waren echter ook periodes waarin hij me zo dichtbij mogelijk wilde houden. Meer naar het einde toe, toen hij waarschijnlijk al wist wat de uitkomst van dit alles zou zijn.
Ik weet zelfs al niet meer waarover we praatten. Voetbal, misschien? De slechte radioprogramma’s waar we allebei toch met een zeker afkeer naar luisterden, elke keer opnieuw, desondanks onze klachten, aangezien we probeerden te verbergen dat we allebei heel erg bang waren zo dicht bij elkaar te zijn.
Hoe dichter je komt, hoe erger de brandwonden.
Des te langer je blijft, des te langer het weggaan duurt.

Ik zuchtte en leunde met mijn hoofd tegen het raampje. De trein reed door grasvelden, kleine dorpen, langs snelwegen die onhandig tussen groepjes huizen ingeplant stonden. Ik glimlachte bij het zien van de talrijke kerstversieringen, de lichtjes die ik zelfs van buitenaf kon zien. Hier en daar hing een stoffen Kerstman uit het raam. Ik vroeg me af of de echte wist dat hij zoveel dubbelgangers had, en wat hij daarvan zou vinden.
Niets, waarschijnlijk.

Aan het eerste station haalde ik een boek uit mijn tas, ook al wist ik dat ik het niet zou lezen. Nu niet en later niet. Over het algemeen was de terugreis moeilijker dan de heenreis.
Het was een slechte roman die ik al teveel keer gelezen had, dus sloeg ik het open op een willekeurige bladzijde en bleef uit het raampje staren. De trein was nog steeds even verlaten. Een paar plaatsen verder zat het oude dametje, ik vermoedde dat ze een tijdschrift las, en verder was de wagon leeg.

Het land gleed langzaam verder aan me voorbij, ik bedacht graag dat het maar voor even was en het allemaal ooit wel terug zou komen, maar hoe wist je dat ooit zeker?
Ik herinnerde me gelukkiger dagen, toen ik me dat soort vragen nog niet stelde en mijn grootste zorg het uitschenken van nepthee met een neptheepot was, en of mijn nepgasten dat niet zouden merken. En nu? Nu zat ik op een trein naar de andere kant van de wereld (toch van de mijne), me af te vragen hoe dat allemaal ooit gebeurd was.

Ik wist het niet. Wat mij betrof was ik ooit op een ochtend opgestaan en had ik de ontdekking gedaan dat er een groot pak sneeuw in mijn hoofd gevallen was, waardoor ‘mijn’ wereld niet meer dezelfde was.

Wat mij betrof was er nooit iets gebeurd.

Anderhalf uur later stapte ik uit, een rotsblok in mijn maag en kiezeltjes in mijn ogen die al stonden te drummen om hun entree te maken. Ik slikte een aantal keer vooraleer naar de trap naar de inkomhal af te lopen. Het was er niet druk, zoals gewoonlijk, en niet warm, zoals gewoonlijk. In een uithoek, waar ze dachten niet gezien te worden, stond een koppeltje, hun armen om elkaar geslagen alsof ze de toekomst nooit gekend hadden. Ik forceerde een glimlach die ik niet meende, omdat ik blij wilde zijn voor hen en liep dan snel naar buiten, waar de wereld me niet veel vriendelijker toegrijnst.

De vertrouwde wandeling door de vertrouwde straten deed me deugd, of dat was toch wat ik wilde geloven. Hier en daar liep een gelukkig gezinnetje winkels in en uit, klagend over de sneeuw die hun – zeer ongeschikte – schoenen binnendrong. Ik knikte niet terug naar de meneer met het hondje, maar alleen omdat ik te laat doorhad dat het wel degelijk naar mij bedoeld was en ik niet onzichtbaar ben.

Ik wist waar hij was. De steen keek me kalm aan toen ik me bukte om takjes weg te halen, ook al wist ik dat het onbegonnen werk was. Een mens moest toch iets doen. Ik veegde wat tranen van mijn gezicht en mompelde wat onsamenhangende woorden, die nooit hebben kunnen zeggen wat we eigenlijk beloofd hadden.

De cijfers die me aanstaarden leken wel een verwijt. Ik wist niet wat ik ermee aanmoest en besloot ze dan nog maar eens schoon te maken. Je moest toch iets doen…

“Hé”, mompelde ik wanneer ik eigenlijk wou weggaan. Wat moest ik zeggen. Fijn je nog eens gezien te hebben? De ironie was me na al die jaren nog niet ontglipt, maar hij had die nooit echt gesnapt.

Ik prutste wat met de mouwen van mijn jas, verschoof een bloempot die al goed stond een aantal keer en besloot dat het wel genoeg geweest was. Je kunt niet eeuwig blijven wachten.

Ik las niet op de terugweg. Ik staarde ook niet uit het raampje, al deed ik wel alsof. Ik hield met mijn handen bezig met de sjaal op mijn schoot en veegde af en toe een traan weg die daar niet had mogen zijn.

Later bedacht ik dat het waarschijnlijk mijn eigen fout was. Wat er ook gebeurd was, de uitkomst was nooit geweest wat ik gewild had. Uiteindelijk had ik moeten weggaan. Uiteindelijk had dat minder lang mogen duren.
Uiteindelijk had ik misschien nooit zo lang dichtbij mogen blijven.

Er vielen sneeuwvlokken op mijn handen toen ik naar huis wandelde, maar het viel moeilijk te zeggen of ze uit mijn hoofd of uit de hemel kwamen.

vrijdag 11 december 2009

Anoniem(2)

Naar het gelijknamige nummer van Eva De Roovere.

De kerktoren sloeg twee.

Van waar ze stond kon ze hem net zien. De haan stond wat scheef, het resultaat van een storm enkele maanden geleden. Niemand had eraan gedacht hem recht te zetten, zelfs niet het oude vrouwtje dat op het gemeentehuis ging klagen als ze vond dat de vlag niet schoon was.

De verf van de raampost begon af te bladeren. Ze streek er zacht over met haar wijsvinger, zich afvragend hoelang het geleden was dat ze die ramen geschilderd hadden. Drie jaar, vier jaar? Nog voor het tussen hen zo veranderd was, in elk geval. Nog voor ze zich moest verstoppen als ze hier was. Het leek als in een ander leven.

Misschien was het dat ook.

Een trieste glimlach speelde om haar lippen toen ze zich half omdraaide en naar hem keek, uitgespreid op het bed als een grote zeester. Het gaf niet dat hij haar plaats innam – iemand moest het doen nu zij zo op afstand bleef. Hij bewoog zijn linkerarm toen ze op de zijkant van de het bed ging zitten, haar rug weer naar hem toe en nadenkend een streng blond haar uit haar gezicht veegde. Ze keek naar zijn vingers, die net onder haar hoofdkussen rustten, alsof hij had verwacht haar daar te vinden en glimlachte opnieuw. Er lag een droefenis in haar ogen die de wereld niet van haar kende. Een verslagenheid in haar bewegingen toen ze opstond en stil naar de andere kant van de kamer trippelde. Haar schouders hingen iets lager, haar mondhoeken wezen iets meer naar beneden. Ze bewoog een beetje trager, aarzelde een beetje meer. Toen ze de deur bereikte, maakte hij een zacht geluidje. Als versteend bleef ze staan, durfde zelfs haar hoofd niet te draaien en ademende langzaam in en uit.

Hij rolde zichzelf in het deken dat hij aan de kant had gegooid zonder zelfs maar wakker te worden en slaakte een zucht. Haar glimlach werd nog droeviger toen ze zo stil mogelijk de deurkruk naar beneden duwde en naar de gang sloop.

Het huis was koud, zoals een huis waar niet in geleefd wordt dat altijd is. Ze schudde haar hoofd om de bittere gedachten eruit te verdrijven en ging de trap af. Met haar vingertoppen raakte ze zacht de trapleuning aan, haar voeten leken te aarzelen op de laatste trede. De trap kraakte toen ze hem uiteindelijk achter zich liet en ze sloot haar ogen om zich niet om te draaien en terug naar boven te rennen, naast hem te kruipen en te zeggen dat ze een nachtmerrie had gehad en getroost wilde worden.

Nee.

Ze schudde zacht haar hoofd en opende de deur naar de keuken. Het was er nog kouder dan het elders in huis was geweest, en ze zuchtte toen ze zag dat hij weer het keukenraam open had laten staan. Dit keer zou ze het niet sluiten, besloot ze. Dit keer kon hij zelf zijn leven op orde brengen. Een grimmige blik trok over haar gezicht toen ze de sleutel van het haakje nam en hem op de keukentafel legde. Had ze nog tijd voor een laatste rondje door de benedenverdieping, een laatste blik op de foto’s aan de muur? Haar vingers speelden met de mouw van haar trui toen ze naar de magneten op de koelkast keek, de kindertekening van een ver neefje dat ze niet kende. Een traan ontsnapte aan haar verdedigingsmechanisme toen ze aan de kinderkamer dacht boven, die ooit wel gebruikt zou worden... Ze schudde opnieuw haar hoofd, had geen zin om oud verdriet op te rakelen. Het was zo al genoeg geweest.

Haar handtas stond bij de achterdeur, haar schoenen nog bij de keukentafel, waar ze ze had achtergelaten. Ze zocht een pen en vond er geen, ergerde zich aan het feit dat hij deze week weer geen tijd had gehad om op te ruimen. Misschien moest zij… Nee.

Ze speelde weer met haar mouw, probeerde zich niet af te vragen hoe hij dat zou oplossen.

Als het echt moet, kan iedereen overleven, toch?

Zij kon het weten.

De kat glipte onder de tafel vandaan toen ze zich bukte om haar schoenen op te rapen en ging op een afstandje zitten toekijken. Zenuwachtig prutste ze met haar veters, alsof de kat haar zou gaan verraden. Alsof de kat wist wat ze van plan was. Het dier kwam wat dichterbij, krulde zich tegen haar rechterbeen en was toen weer verdwenen. Ze slaakte een zucht en stond op om dan toch maar een pen te gaan zoeken.

De rommelkast kon ze zelfs in het pikdonker vinden, maar wel pas nadat ze er eerst haar teen tegen gestoten had. Ze maakte een kwaad, sissend geluid en plukte lukraak een pen uit het pennenbakje dat daarvoor bestemd was, hopend dat ze een exemplaar zou hebben dat werkte.

Gezeten aan de keukentafel, haar handtas voor haar neus, zodat ze zichzelf eraan kon herinneren dat ze hier niet té lang moest blijven zitten, wist ze weer waarom ze geen brieven meer schreef. Ze was niet zo goed in persoonlijk worden, niet zo goed in het verwoorden van zichzelf. Ze wist dat hij het toch wel verkeerd zou interpreteren, dat hij zou denken dat hij de oorzaak wist en er verder niet bij stil zou staan. Hij wist het niet, maar dat gaf niet.

Niet meer.

Haar handschrift was anders geworden, merkte ze. Het was losser, frivoler, met meer onnodige krullen, alsof ze daarmee de koelheid en leegte die in haar persoonlijkheid waren gekropen wou compenseren. Eens ze wist wat ze hem wel en niet wou vertellen, duurde het maar drie minuten om het op te schrijven, het papiertje onder een ongebruikt glas te schuiven en de pen erbij te leggen.

Hem kennende zou het kunnen dat hij niets merkte tot hij het papiertje zag liggen.

Hem kennende zou het kunnen dat hij iets merkte van zodra hij wakker werd.

Om haar gedachten geen kans te geven, stond ze plots op, griste haar handtas van tafel en beende beslist naar de achterdeur. Nu zou het gebeuren. Hierna zou het allemaal voorbij zijn en dan zou alles weer worden zoals voordien. Ze moest zichzelf niets meer wijsmaken: het was al lang voorbij.

Nu mocht zij dat ook weten.

En dan toch die twijfel. Nog een laatste keer rondkijken in de keuken die ze niet eens zo veel gezien had. Nog een laatste keer haar briefje lezen. Was het wel perfect? Wat als niet hij, maar zij het vond?

Was dat niet wat ze wou?

Lieve,

Ik ben al lang te oud geworden om op de tweede plaats te komen. Jij hebt gezegd dat ik kon gaan wanneer ik wilde, ook al dacht je dat ik dat nooit zou doen. Het werkt niet. Ik wil mezelf niet verbergen wanneer iets mij gelukkig maakt.

Ik ga, en jij en ik zullen nooit meer zijn dan een vervaagde herinnering.

Dat is genoeg.

Het zou perfect moeten zijn, besloot ze, schoof het weer terug en klemde haar tas in haar handen. Het zou nog een lange rit worden eer ze weer thuis was, maar dat gaf niet. Zolang ze maar thuiskwam. Terugkeren was ze niet van plan, ze wist heel goed wanneer het tijd was iets de rug toe te keren, wanneer ze plaats moest maken voor iets anders.

Hierna was het aan hem. En haar. En de kinderkamer.

En dat was genoeg.

De achterdeur viel zacht in het slot.

De kat sprong op tafel, bleef daar even staan en ging toen weer een andere slaapplaats zoeken.

De kerktoren sloeg drie.


donderdag 10 december 2009

Anoniem.

Dit is onze tijd.

Je geloofde me niet, toen ik dat zei. Ik kon je geen ongelijk geven. We stonden aan de bushalte, jij en ik. Ik keek zoekend naar het uiteinde van de straat, wachtend op een bus die met dit weer waarschijnlijk niet zou komen. Jij een halve meter achter me, waarschijnlijk met je handen in je jaszakken, zoals altijd.

Waarschijnlijk met een kleine frons op je voorhoofd, zoals altijd.

Het was ijskoud, zo koud dat ik bang was dat ik ooit binnenin nooit meer warm zou worden, al lag dat misschien niet alleen aan de temperaturen buiten. De lucht was wit en helder, deed net geen pijn aan je ogen. Net niet.

Maar op dat moment, deed alles pijn. Ik speelde zogenaamd verveeld met een pluk haar en knipperde heftig om ongewenste emoties tegen te gaan. Er kwam geen bus, net zoals er geen antwoord kwam, en al zeker geen oplossing.

Ik keerde je dus mijn rug toe, nog steeds in de verte starend en trok mijn sjaal wat dichter om me heen. Warmte in koude tijden, had er op de etalage van de winkel gestaan. Het zal wel. Niets maakte mij nog warm, zelfs niet het feit dat je op een halve meter afstand stond en ik mijn arm maar hoefde uit te steken om je nog dichterbij te halen.

Jij en ik, wij stonden aan de bushalte te wachten op iets dat niet kwam, nooit zou komen en ik wist dat het al lang voorbij was. Het feit dat je niets zei bevestigde dat. Het feit dat ik niets zei bevestigde het feit dat jij het bevestigde. Er hing een ijzige koude tussen ons in, en toch kon ik niet zeggen ‘ik ga dan wel te voet.’

Waar moest ik heen? Jij was mijn thuishaven. Wie moest ik vertellen dat het fout gelopen was, wie moest ik vertellen dat het allemaal verkeerd was en ik het ook niet meer wist – en waarom? Omdat jij zei ‘zo gaat dat niet.’ Omdat jij vond dat wij zo niet naast elkaar konden staan.

Waar ging ik heen?

Dit is onze tijd.

Ik zei het je aan de bushalte, en wat je deed was lachen. Dat was mijn antwoord: een klaterend gelach, alsof ik een kleuter was die net een heel grappige taalfout gemaakt had. Ik vond het niet grappig, en jou nog minder. Op dat moment vond ik je even heel vervelend. Op dat moment was je even heel onmogelijk.

En toch was het zo. Zondagavond om kwart na vier, vlak voor de gedachte aan morgen schrikwekkend dichtbij zou komen. De enige kans die we waarschijnlijk zouden krijgen, en net dat joeg mij schrik aan. Net dat deed mij aan jou vastklampen. Ik had kunnen weten dat je een stap terug zou zetten.

Ik bleef wachten op de bus, ook al wist ik dat die niet zou komen. Jij bleef daar staan, op een kleine afstand, je handen in je jaszakken, een nadenkende uitdrukking op je gezicht, alsof je niet goed wist hoe je mij in elkaar moest puzzelen. Zo verwoorde je het toch achteraf.

“Dit”, zei ik, “nu. Dit is het.” Je glimlachte heimelijk, want je wist wat zou volgen. “Dit is alles”, zei je stil voor ik dat kon doen. Er speelde een glimlach rond je lippen, een zweem van amusement in je ogen.

Alsof ik zo voorspelbaar was.

“Dit”, zei ik beslist, “is helemaal niets. We staan een beetje niet tegen elkaar te praten en te doen alsof dat genoeg is. Dat is niet zo. Het is niet genoeg. Snap je dat?”

Dat deed je enkele ogenblikken zwijgen. Ik voelde de sneeuw smelten waar ik bijstond, alsof alleen het vuur in mijn stem daar genoeg voor was.

“Ja”, zei je uiteindelijk kalm, stiller dan ik van je gewend was, “maar toch is dit alles wat er ooit geweest is. Stilte, en altijd dat wachten.” Je keek op van de ijzel en er stond een droefheid in je ogen die ik niet kende. “Altijd wachten op een antwoord dat uiteindelijk niet komt. Wij lopen naast elkaar maar in een andere richting. Wij lopen over elkaar heen en het enige wat dat oplevert is blauwe plekken.” Je zweeg even en haakte je ogen vast in de mijne. “Blauwe plekken en zoute tranen.”

Ik opende mijn mond en sloot hem weer, onzeker over mijn reactie.

“Ja”, besloot ik uiteindelijk, “zo is dat.” Je glimlachte een trieste lach. “Dus”, fluisterde ik, “dit is alles.” Je knikte, stak je hand uit en raakte om onduidelijke redenen mijn linkerarm aan. “Dit is alles.” Ik knikte, een keer. Jij bekeek de grond alsof je daarop een antwoord zou vinden. Het was niet zo.

De bus kwam niet. Ik ging te voet. Je keek me nog na, toen ik de straat overstak en iets zout over mijn liepen voelde rollen. Ik voelde je ogen twee gaten in mijn rug branden, maar zelfs die temperatuur bevond zich ver onder het vriespunt.

Alles bevond zich even ver onder het vriespunt.

Waar ging ik heen?

Ik bleef waar ik was. Ik ging verder zoals ik begonnen was. Ik werd iemand anders en leefde een leven te hebben dat niet alles, maar slechts een beetje omvatte. Na verloop van tijd gaat heel weinig als heel veel aanvoelen,en leer je te overleven met het water aan de lippen. In dit geval was het ijs, maar dat maakte het meer noch minder moeilijk. Als het al iets maakte, dan was het kapot.

Ons.

Ik werd iemand anders en leerde hoe je vergeet. Dingen die er echt te doen, die kan je nooit helemaal laten weggaan. Niet als je dezelfde blijft. Niet als je ze nodig hebt, dus leerde ik niet nodig te hebben. Ik werd alles wat ik nog niet geweest was. Ik werd alles wat wij nooit geweest waren, en na een tijd kon ik ademhalen zonder een ijsblok in mijn borstkas te voelen. Na een tijdje kon ik overeind krabbelen zonder blauwe plekken.

De bus is gekomen. Een oplossing nog minder.

Maar onze tijd, die is er altijd geweest. Zelfs met sneeuw in onze hoofden, zelfs met ijs tussen ons in. Dichter dan die dag zijn we nooit gekomen. Langer dan die dag hebben we nooit bestaan.

maandag 7 december 2009

035

Lieve Ina -

Tijdens al die dagen (weken?) dat ik al speel met het idee je een brief te sturen, had ik het ontwerp al honderd keer in mijn hoofd uitgeschreven. Ik wist perfect wat ik zou zeggen. Ik wist perfect hoe het zou klinken. Ik had de woorden al gevonden, snap je? Ik hoefde ze alleen nog maar neer te pennen, en dan zou het daar staan: de brief die ik je zou sturen, die voor eens en altijd voor opheldering zou zorgen (of dat hoopte ik toch).

Maar nu zit ik hier, en opeens klinkt het allemaal zo geforceerd. Niet goed genoeg. Het zegt niet écht wat ik wil zeggen, het klinkt niet écht zoals ik wil dat het klinkt. Toch niet zo echt als ik het wil. Lieve Ina, deze brief had een perfecte brief moeten worden, een brief die duidelijk zou maken hoe bezorgd ik om je was, zonder al te veel poespas, maar die je wel zou ontroeren, zodat je wel (eindelijk, als ik dat mag zeggen) zou zeggen wat er aan de hand is.

Ina, ik ben bezorgd om je. Er gaat iets mis, en ik weet niet wat het is. Ik wil je helpen. Opvrolijken desnoods. Je bent de allerallerliefste, je mag niet zo triestig zijn, oké? Je verdient zo oneindig veel beter. Je verdient het om… elke dag over duizenden regenbogen te huppelen bij wijze van spreken. Snap je dat?

Wat is er aan de hand? Zeg niet dat het niets is, en waag het eens te zeggen dat het gewoon thuis een beetje moeilijker is. Dat is niet alles en ik merk het aan de manier waarop je… ik weet niet… een beetje anders lijkt dan anders? Je zit soms zo maar voor je uit te staren, en als iemand dan iets zegt moet je echt heel veel moeite doen om terug naar deze wereld te komen. Ik weet dat je af en toe een krop in je keel wegslikt, ik weet alleen nooit goed wat ik moet zeggen.

Je weet toch dat je alles kan vertellen he? Zelfs al ben je zwanger of zo. Dan gaan we gewoon samen babykleertjes kopen en namen verzinnen en alles. Ik wil maar zeggen, ik ga niet lopen omdat het iets choquerends is waar je mee zit. Je moet het gewoon vertellen, en dan zoeken we een oplossing.
Oké?

Liefs, veel liefs
Ann


Ann was zo iemand die niet zo goed was in praten, maar wel goed met woorden. Als er iets was, ging ze niet rond de tafel zitten om argumenten uit te wisselen en uiteindelijk tot een gezamenlijk compromis te komen. Nee, zij gooide het op papier en wachtte af.

Ik kreeg haar brief toen er een lesuur wegviel. Ze gooide hem op mijn bank vlak voor ze weer naar haar plaats liep, zodat ik er in elk geval geen vragen over kon gaan stellen. (Niet dat ik dat van plan was geweest, ik wist intussen hoe ze de dingen aanpakte)
Ik denk dat Ann een van de enige mensen was die de wereld om zich heen echt observeerde. Ik dacht dat ik zo goed toneelgespeeld had, dat ik haar echt had kunnen overtuigen van wat ik haar op de mouw gespeld had. Ik had op voorhand kunnen weten dat ze alleen maar zweeg tot ze genoeg moed had bijeengeraapt om dat niet te doen, maar toch. Ik kon me niet voorstellen hoe ze gemerkt kon hebben dat er iets mis was.

Achteraf leek dat allemaal zo logisch. Achteraf was ik degene die me afvroeg hoe ik zo doorzichtig had kunnen zijn. Als je het Ann hoorde beschrijven, leek het alsof ik met een bordje op mijn voorhoofd rondliep: Er is iets. Dat was niet zo. Ze had gewoon beter opgelet dan alle anderen.

En wat was er? Tja, wat was er niet. Er was haar broer, die ik in mijn hoofd ook Broer ben beginnen noemen, die al afzienbare tijd een lief had, en er was het feit dat ik daar anders op reageerde dan ik geweld had. Er was het feit dat hij dat Ann nog niet verteld had, en dat ik dus medeplichtig was aan die leugen. En dan was er nog die broer zelf, gewoon op zich, met wie ik zo goed kon praten en lachen, aan wie ik, eerst door ons gezamenlijk zorgenkindje (soms noemden we haar zo. We meenden het niet), later door mezelf gebonden was.

Er was het feit dat ik wist dat Ann, naast alles wat ze al kwijtgeraakt was, zo ongelooflijk bang was nog mensen te verliezen, heel hard haar best aan het doen was mij niet kwijt te spelen. Ik heb er nooit aan gedacht haar aan haar lot over te laten, maar ik denk dat ze zelf met die gedachte speelde. Ze vertrouwde me achteraf toe dat ze soms wel eens dacht dat ze misschien gewoon niet meer van mensen moest houden, dat ze dan ook niet konden weggaan. Ik heb haar toen met iets belegerd, maar ik weet al niet meer met wat.

Maar ik dwaal af. Ik vertelde Ann uiteindelijk wat er aan de hand was, omdat ze het nooit zou laten rusten en omdat ze zich zorgen maakte. Ze was lang stil, toen het er allemaal uit was en glimlachte toen. "Ik wist wel dat er iets aan de hand was tussen jou en Broer", zei ze vrolijk, "Ina toch, dat geeft toch niet dat je dat niet verteld hebt dat hij een vriendin heeft. Dat moet hij doen, en met iemand waar je verliefd op bent wil je geen ruzie. Daarbij, ik ben niet zo dom als het lijkt, ik had al een vermoeden... En als het is wie ik denk dat het is, kan ze niet eens zonder dt-fouten schrijven. Daar moet hij dus al niet mee binnenkomen thuis." Ze trok een gevaarlijk gezicht, en ik moest heel hard lachen. Kijk, haar opzet was dan toch gelukt.
Zelf dacht ze geloof ik altijd dat ze zo'n ongelooflijk slechte vriendin was, dat ik haar altijd moest helpen, dat ik nooit iets terugkreeg en nog wel meer van die onzin. Het is waar dat ik haar al eens uit putten gesleurd heb, dat ik haar dooreen rammelde als dat nodig was, en dat ik soms gewoon beter in haar hoofd kon kijken dan zijzelf.

Daar staat tegenover dat zij deed nadenken. Mij, maar ook iedereen om zich heen. Je kan dat niet goed beschrijven, maar als je Ann leerde kennen, leek het allemaal niet meer zo vanzelfsprekend. Zelfs haar zien was al genoeg - ze had zo'n eeuwige twijfelachtige uitdrukking op haar gezicht, alsof ze niet goed wist of deze wereld wel echt was. Als vanzelf ging je een stukje mee in haar gedachtegangen. Voor Ann was de wereld geen plaats waar ze maar gewoon toevallig was terecht gekomen, en waar ze wel zou zien waar ze uit kwam. Zij wou alles weten, elk detail. Ze was heel de tijd op zoek, naar alles wat ze miste. Ze dacht teveel na, maar haar teveel-denken, deed jou wel denken. Of het waar was, wat ze zei. In haar eigen twijfel, kon ze soms juist duidelijkheid brengen in jóúw hoofd.
Ze was altijd beter in het zorgen voor anderen dan voor zichzelf.

donderdag 12 november 2009

034

Vijfentwintig april. Haar laatste stuk dateert van vijfentwintig april, en het is juist die brief die ik al honderd keer las. Het is de brief die ze me midden in de nacht doormailde. Ik belde haar exact drie minuten erna, en toen was het al –

Ik wil niet te laat typen, maar ik weet ook niet wat ik dan wel moet typen. Toen was ze al ‘weggegaan’, zoals ze dat zei? Drie minuten, godverdomme. Ik snapte er niks van. Hoe kon dat nu? Drie minuten, dat is niks. Zelfs al nam ze de telefoon niet op, we waren er toch zeker wel op tijd? Nog voor… Voor ze wegging?

Later bleek dat ze die e-mail automatisch had laten verzenden om middernacht. Alsof ze haar laatste dag toch nog volledig wou blijven. Ze was niet iemand om half werk te leveren (oh, wat klinkt dat nu ironisch, er komt een bitter glimlachje op mijn lippen), ook al dacht ze daar zelf anders over.

Ze dacht altijd dat ze nog niet klaar was. Dat er nog iets gedaan moest worden, ook al was dat niet zo. Af en toe moet je eens gaan zitten en om je heen kijken. Soms moet je eens kunnen rusten. Zij kon dat niet, en toen ze doorhad dat het echt broodnodig was, was ze al te moe en deed ze toch maar verder zoals ze bezig was.

En ik, waar was ik? Op het moment van de mail minstens duizend kilometer hiervandaan. De dag erna telkens een paar kilometer dichterbij, tot ik weer met mijn beide voeten op de grond stond en me in de armen van haar grote held stortte, die zelf nog stond te trillen op zijn benen en de eerste weken geen woord zei. Of toch niet meer dan een paar. En daarvoor was ik altijd dichtbij, maar misschien nooit dicht genoeg. Achteraf wou je dat je gewoon naast haar gekampeerd had, dat je haar overal op de voet gevolgd had, maar soms gaat dat niet. Zij heeft haar eigen keuzes gemaakt, maar ik wou…

Achteraf wil je natuurlijk zoveel.

Het is zes maanden geleden. Gedurende zes maanden heb ik haar verzameld. Ik wist waar ze mee bezig was, en ik wist dat het ook afgemaakt moest worden. Eerst vond ik dat het af was zoals het was. Ik had er eens snel naar gekeken, en niet veel kunnen zien omdat mijn ogen te wazig waren. Maar daarna… Daarna leek het mij nog meer onaf dan wat ze achtergelaten had. Het was niet wie ze was. En ik ben ook niet wie ze was, en ik wist niet wat ik ermee aan moest, maar ik wist dat er iets mee moest gebeuren.

Ik ging ten rade bij haar held, die ondertussen ook voor mij die rol heeft opgenomen. Hij weet het zelf allemaal niet meer, en zijn benen trillen nog steeds, maar ik kan hem best dragen als dat moet. In elk geval had hij er ook geen mening over, of toch geen mening die hij met mij wou delen.

Dus ging ik op zoek naar het andere hoofdpersonage, dat ik ook al een tijd niet meer gezien had. Hij had nog steeds dat meisje met de lelijke zwarte jas rond zich hangen, maar dat besefte hij denk ik zelf niet eens. In elk geval niet op dat moment. En hij luisterde naar wat ik te zeggen had, speelde met een bierviltje en veegde onopvallend een traan weg die ik zogezegd niet mocht zien. “Vertel het zelf”, zei hij uiteindelijk, “haar verhaal.”

Ik heb die jongen vaak lomp, achterlijk en blind genoemd, vaker dan me lief was, maar ik moet het toegeven: soms heeft hij goede invallen.

Soms.

Wat ze zelf geschreven heeft, daar kom ik niet aan. Die woorden staan daar voor een reden. Dat was haar ten voeten uit. Meestal was ze zelf de enige die begreep wat ze schreef. Alles, de positie van de woorden, al dan niet aanwezige hoofdletters en interpunctie, woordkeuze had een dubbele betekenis, een extra bodem. Toen ik haar daar eens op wees, keek ze me aan met een blik die duidelijk zei: “Ja, en dan?” Ze schreef voor zichzelf, niet voor de wereld.

Als ik lees wat ze tot nu toe heeft vastgelegd, is wat echt in het oog springt de stukken die ontbreken. Dit was nog maar haar aanloop, ze was nog veel meer van plan. Ze heeft echter niet gezegd wat, zelfs niet in een simpel overzicht. Dus besloot ik de gaten op te vullen. Zelf kon ik heel haar verhaal niet vertellen: ik ken al haar betekenissen niet. Dus liet ik het over aan alle anderen. De personages die ze al had aangehaald, maar ook zij die ze nog buiten beschouwing had gelaten.

Zo simpel bleek dat echter niet te zijn. De anderen, die wilden alleen maar vertellen wat ze nog wisten – en ze logen. Sommigen vertelden staalharde leugens. “Is dat erg?” vroeg ik haar held, “Zelf loog ze ten slotte ook.” Hij haalde zijn schouders op. “Misschien, maar het was dan ook haar verhaal.” Daar werd ik stil van, en ik besloot dat in haar verhaal zij de enige was die mocht liegen.

Daarmee moest het moeilijkste nog komen. Waar vond ik bewijsmateriaal, waarmee kon ik die verzinsels weerleggen? Ik wist het eigenlijk al, maar schoof die oplossing zo lang mogelijk voor me uit,ging bij anderen ten rade en ploos haar computer uit (niet dat dat zo leuk was, maar aan iets digitaal zou ze nooit het echt belangrijke toevertrouwen, en dat wist ik). Tot de jongen met zijn bierviltje verlegen vroeg of ik al haar schrijfsels al gevonden had. “Ze was altijd en eeuwig aan het schrijven”, zei hij, “zoveel dat…” Daar aarzelde hij, maar ik wist wat hij wou zeggen.

Zoveel dat ze voor het echte leven geen woorden meer had.

Ik zocht haar Doos dus, en ik vond hem ook.

Ik weet niet wat ik verwacht had. Een mooi uitgeschreven plan, iets dat het heel gemakkelijk zou maken? Zo was ze niet. Ze deed veel, maar het zichzelf gemakkelijk maken, daar deed ze niet aan mee. Wat wou ik dan, een netjes geordende stapel? Aan wat ze schreef kan ik merken dat het dat ooit geweest is, maar door haar geblader, gezoek was het een grote papierbom geworden.

Wat moest ik daarmee? Er eens goed om huilen? Ik ben geen wener. Zij deed dat voor ons allebei.

(En toch was dat wat ik deed – voor mezelf, voor haar, en voor alle anderen)

Dus ik deed waar ik goed in was. Ik begon te ordenen en te sorteren, vond een stapel paperclips onderin de doos en begreep dat ze het zelf ook al geprobeerd had. Ik kreeg hulp van haar en mijn held, die hoopte een uitleg te krijgen en alleen maar veel verdriet vond. Dus ik ging stug verder, probeerde door de bomen het bos weer te vinden en besefte uiteindelijk dat dat niet zou werken.

En toch zit ik hier nu-

Want anders weet ik het ook niet.

Ina.

 
design by suckmylolly.com