donderdag 22 oktober 2009

Gedicht #2

ik had
voeten in de aarde
diepgeworteld aan
lang geleden

en al was jij
nieuw, was jij wat
ik niet vergeten zou
toch wou

wou ik toch
weggaan voor jij
voor alles dat zou doen
met een laatste

woord, blik
voor alles vergeten
alles verkleurd en verspeeld
voorbij is - te laat

Voor ik wegga.

Woorden zijn alles wat ik nog heb.
Alles wat ik nog heb, zijn woorden. Een hoopje samengeraapte stokjes en bolletjes, verbonden met leestekens die allemaal op elkaar lijken en groep witte ruimte die alleen maar wit staat te zijn.
Woorden zijn mijn ziel. Ze vormen mij, bepalen mij. Ze houden mij in leven, trekken aan mijn mouw als ik in slaap dreig te vallen, wanneer mijn aandacht verslapt. Sorry, ik lette even niet op. Sorry, mijn gedachten waren er even niet bij. Ze houden mijn hoofd recht, mijn schouders lichtjes gebogen, mijn ogen wijd open. Mijn mond gesloten. Ze grijpen me bij mijn nekvel als ik afdwaal, dwingen me op het rechte pad als ik bochten neem.
Ja, woorden zijn mijn ziel. Ogen zijn er de spiegel van, en als je in de mijne kijkt, zie je alleen maar lange verhalen van wat niet is en nooit geweest is. Lange en korte woorden. Bestaande en onbestaande. Moeilijke, makkelijke.
Leugens. Woorden zijn altijd lang. Altijd onbestaand. Altijd moeilijk… Het moeilijkste wat er bestaat. Ze zorgen ervoor dat alles uiteindelijk misgaat. Ze zorgen ervoor dat niets nog blijft. En niemand kan praten. Niemand heeft meer dan een hoop stiltes. Niemand.
Maar ik, ik heb woorden. En het is alles wat ik nog heb. Ze liggen opgesloten. Veilig, ver weg, achter een hangslot dat niet op slot is. Ze banen zich een weg naar buiten – zij¬ zijn mij de baas. Ik tem hen door mijn hoofd te buigen en onzichtbaar te worden. Ik tem hen door stil te worden, weg te gaan.
En ze blijven altijd. Ze gaan niet weg. Zij niet. Alles en iedereen, maar zij niet. Communicatie, de kanker van de moderne samenleving. Ik kan het niet. Niemand kan het. Niemand weet nog echt hoeveel vrienden hij achter zijn naam mag zetten – en nog minder hoeveel er daar willen staan. Alles is een illusie. Alles is bedekt. Alleen wij bestaan nog. Alleen wij. In ons niet-bestaan. Alleen wij, in wat we nooit gehad hebben. De hele wereld, ze bestaat niet. Maar ik, ik wel. Ik ben springlevend, en toch neem ik exact dezelfde vorm aan als het behangpapier.
Ze zeggen… Ze zeggen zoveel. Ze zeggen te veel. Praten, dan verdwijn je nooit. Fluisteren, roepen, schreeuwen, mompelen, huilen, gillen, ruzie maken, discussiëren, debatteren, lachen, sneren, kuchen, verslikken, stikken.
Maar ze zijn er. En ik ook. Ik ben er. Min of meer.

En altijd hetzelfde. En jij, wie ben jij. Ik, ik ben niemand. Let maar niet op mij, ik ben maar… Maar behangpapier…
Wat? Niemand is behangpapier.
En dan: sorry. Sorry, waar was ik met mijn gedachten. Ik moet afgedwaald zijn, gedacht hebben aan de nieuwe kleur voor de kinderkamer, ach, wat heb ik toch vandaag. Sorry, het was niet mijn bedoeling om… Ach, ik had ook beter moeten weten. Beter moeten opletten. Altijd beter opletten, meer concentreren, al is het nooit genoeg. Ach kijk, daar ga ik weer. Excuseer me, het is de lege maag. Te weinig slaap misschien, niet genoeg gelachen de laatste dagen… Sorry, sorry. Ik was er even niet bij. Ik was even verloren.

En je glimlacht, en het is in orde. Het is altijd in orde.
Alles is in orde. Een glas water, misschien. Of een groot bord met een halve vierkante centimeter eten. Het is in orde.
Altijd in orde…
En nog eens. Nog eens, opnieuw, nog een keer.
Tot ik, tot alles… niets nog bestaat.
Tot ik besta.

En ik was er niet.
Misschien morgen…


Ik sta op en loop naar het raam.
Als ik rookte, zou dit het moment zijn waarop ik een sigaret opstak, hem naar mijn lippen bracht en er zachtjes aan trok. Als ik dronk, zou dit het moment zijn waarop ik geen glas meer nodig had en gewoon van de fles dronk. Dit zou het moment zijn asbak, zonder glazen, zonder schaamte. Ik zou verloren zijn, maar ik zou het goed doen. Voor ik ten onder ging aan longkanker of een kapotte lever, zou ik nog glimlachen en naar buiten staren, schandalig veel geld uitgeven om vermoord te worden en doen alsof dat altijd al de bedoeling was.
En uiteindelijk.
Uiteindelijk, misschien…
Uiteindelijk is dat zo.
In elk geval staar ik bedachtzaam naar buiten. Ik elk geval ben ik niet meer dan een klein figuur op de zoveelste verdieping, in elk geval is niets wat het lijkt.
En ik denk, wat is alles mooi. En ik herhaal luidop: wat is alles spuuglelijk. Als ik rookte zou ik nu de sigaret doven. Als ik dronk, zou ik nu de fles met een klap neerzetten, maar ik doe geen van beiden en kan alleen mijn schouders ophalen. Mijn middelvinger opsteken naar niemand die het ziet, schoppen op de wereld die te groot is.
Veel te groot.
Als een pasgeboren baby in de botsautootjes.
Dat doe je ook niet.
En toch.
En toch.
In het midden van de nacht bedenk ik dat het allemaal voorbij is. Allemaal genoeg geweest. Als ik rookte… Ik rook niet. Ik kan ademen, mijn lever doet wat hij moet doen.
En toch.
En in het midden van de nacht… In het midden van de nacht zijn je spoken zoveel groter. In het midden van de nacht staat alles in je nek te zuchten, is er niets dat je nog op een afstand houdt. In het midden van de nacht is alles voorbij.
Alles.
Hoor je me?

Voorbij. Ik ben voorbij, wij zijn voorbij. Jij bent voorbij, jullie zijn voorbij. Hij is voorbij, zij zijn voorbij. Gegaan. En ik ging. Weg. Uiteindelijk. In het midden van de nacht.
Ik had een witte muts op, een rode jas aan. Schoenen… Had ik schoenen nodig? Het had niet geregend. Toch niet hier.
Het is stil. Donker. Ik ken niemand, niets – niemand kent mij, niets kent mij. Ik houd me schuil in anonimiteit en zwerf tussen lantaarnpalen en licht te fel voor mijn bestaan – hoe lang nog? Hoe bang nog? Hoeveel nog? Misschien nog meer: wanneer wel? Wanneer uiteindelijk, eindelijk? Er zijn mensen, winkels, auto’s, dieren. Er is niets.
Heel veel niets.
Genoeg voor iedereen.
Ik loop voorbij niets. Voorbij alles. Niemand, iedereen kijkt op. Het is nacht en straks is het morgen en dan is alles weer, iedereen weer… aanwezig. Zoals dat moet. Jij, ik, iedereen, we zijn daar. We zijn, en als dat niet zo is, hebben we het lef te doen alsof.
De klok slaat.
Ik glimlach.
Blijf staan.
Einde, denk ik.
Einde.

woensdag 21 oktober 2009

Gedicht #1

jij was rood-wit gestreept
met felle linten
een haven waar ik thuis kon komen

bleef ik aanmeren
wou ik wijzen
hier is het fout gegaan

waren wij allebei
te veel
allebei
te weinig

032

Zondag 20 april Jaar 1

"Mijn naam heeft twee n'en", zei ik bozig tegen Iemand, die zijn schouders ophaalde.
"Ik noem ook niet Iemand."
"Heet", verbeterde ik automatisch en beet op het puntje van mijn tong, omdat ik beloofd had die ergerlijke gewoonte af te leren.
"Wat ben jij, een woordenboek?"
Ik voelde hoe ik begon te blozen en probeerde te negeren wat hij gezegd had.
Zoals ik mezelf ontken op dagen dat ik denk dat ik de wereld niet waard ben, ontkende ik zijn woorden en richtte me weer op de onzin die hij aan het schrijven was.
En zoals hij soms begreep dat de wereld en ik niet altijd bij elkaar pasten en mij dan rustig als een overgroeide struisvogel met een air van alles-is-toch-maar-anders-dan-het-mij-beloofd-is mijn kop in het zand (of in mijn stilzwijgen) liet steken, deed hij alsof hij dat niet merkte.

"Ik wed dat jij met het groene boekje naast je bed slaapt." Om me daar dan tien seconden later met mijn schouders weer uit te trekken en me in de juiste richting te draaien natuurlijk.
Op dat vlak waren Ina en Iemand tegenpolen. Ina zegt waar het op staat, maar het zou ook nooit in haar opkomen dat niet te doen. Ze is zo bezorgd om mensen dat ze alles zou doen om hen op het juiste spoor te krijgen. En aangezien ik de neiging had al eens te ontsporen, had ze met mij haar handen vol. Iemand is iemand (met kleine i) die alles eerst rustig observeert, zich een oordeel vormt en iedereen maar een tijdje laat aanmodderen om hen dan plots, wanneer ze het absoluut niet meer verwachten, aan te vallen - en meestal ook te vloeren. Het is ongelooflijk moeilijk Iemand in een discussie of ruzie te betrekken wanneer jíj dat wil. Hij is het, die de voorwaarden stelt, en meestal is hij ook degene die wint.
En hij was de enige van wie ik dat kon verdragen. Conflicten zijn normaal niet aan mij besteed, en als ik een uitdaging kan vermijden, zal ik dat doen. Ik houd er niet van getest te worden, mijn grenzen te leren kennen, en al helemaal niet ze te verleggen. Ik wist dat toen ik vijftien was en naïef, en nu ik ouder ben, en misschien nog wel naïever, ben ik me daar nog veel meer van bewust - alsof hoe meer ik weiger mijn grenzen te verleggen, hoe meer zij op me afkomen. Ik vrees dat ik op een dag verstrikt zal raken in het net dat ik rond mezelf gespannen heb. Ik vrees dat het op een dag allemaal te laat zal zijn, en tegelijk... Tegelijk zou ik misschien niet liever willen.
Als het voorbij is, is het voorbij. Je kan wel blijven wachten, maar op een keer kan je toch terug ademhalen. Op een moment besef je dat het achter je ligt, en dat het misschien een onontwarbaar kluwen is, maar dat je het op zijn minst kan negeren nu. Op een keer besef je dat je, hoe moe je ook mag zijn, wel terug mag slapen.
Helaas komt dat nooit op tijd.

Toen ik (nog) jonger was, dacht ik dat alles wel vanzelf op zijn pootjes terecht zou komen. Uiteindelijk. Ondertussen weet ik dat ik een te grote controlefreak ben om dat te laten gebeuren. Dingen die je kapot analyseert komen zelden "zomaar" goed. Vandaar mijn hekel aan uitdagingen: een eigenschap van een uitdaging is dat het je uitdaagt. Dat je kwetsbaar bent en zelf óók niet weet hoe het zal aflopen. Dat is mij te onzeker. Ik blijf wel braaf tussen de lijntjes lopen.
En toch kon ik dat van Iemand verdragen. Hij was de enige met wie ik graag wedijverde, en bij wie ik ook echt mijn best deed te winnen. De enige bij wie ik het voor de volledige honderd procent kon aanvaarden wanneer ik dat niet deed. De enige van wie ik met alle plezier een uitdaging aannam. Dat moest wel iets betekenen, dacht ik.
Maar ik was dan ook jong.
En heel erg naïef.

zondag 30 augustus 2009

031

V rijdag 18 april Jaar 1

Wanneer je niet zegt wat je eigenlijk moet zeggen, zijn er altijd van die vervelende momenten waarop het lijkt alsof de wereld je dat duidelijk probeert te maken. Ik ben iemand die niet tegen stiltes in gesprekken kan, maar ze ook niet kan vermijden. Wanneer een gesprek stilvalt, wacht ik tot iemand anders een nieuw onderwerp aanbrengt, en in de tussentijd zit ik een beetje paniekerig na te denken, wetende dat het toch niet zal helpen.


Toen Ina en ik op zoek waren naar kerstcadeautjes (ik moest iets voor Zus kopen, wat veel moeilijker bleek dan ik gedacht had, mede omdat ik me de laatste keer dat Zus en ik een constructief gesprek hadden gehad niet meer voor de geest kon herinneren) slenterden we door de winkelstraat in 'onze' stad en praatten over alles en niets. Ik vroeg haar of ze Lily nog gesproken had, omdat ik haar miste en omdat ik graag weet hoe het mensen vergaat.

"Niet sinds de laatste dag van de vakantie", antwoordde ze, somberder dan ik van haar gewend was. "Ze was helemaal hysterisch omdat haar rapport nu wel goed MOEST zijn en zo." Ik zweeg en haalde me de dag dat Lily gehoord had dat ze haar jaar moest overdoen voor de geest. Dat was ook heel gezellig geweest.


(Het is egoïstisch en gemeen zoiets te zeggen, want als een vriendin zoiets te horen krijgt, moet je er voor haar zijn, maar de waarheid is dat ik dat op het moment zelf ook niet gedancht had. Mijn rancune kwam pas achteraf, toen bleek dat het klaarstaan maar van één kant kwam. Ik was kwaad op Lily omdat ze zomaar Emmelin gevolgd was en me niet eens de kans had gegeven mezelf te verdedigen, en ook gewoon omdat we elkaar niet meer spraken.


Ik miste zowel Emmeline als Lily nog steeds heel hard, ook al zei iedereen wiens mening ik waardevol achtte (Ina, Iemand, Broer, mama) dat ik daar geen redenen toe had en hen gewoon links moest laten liggen (oké, Ina en Iemand zeiden dat niet met zoveel woorden, maar het kwam er wel op neer). Ik wist dat als Emmeline de volgende dag naar me toe zou komen en zou doen alsof er nooit iets gebeurd was, ik waar waarschijnlijk in mee zou gaan, ook al was ik dan even hypocriet als zij. Om de lieve vrede te bewaren, maar vooral omdat ik zo graag wou dat alles weer zou worden als vroeger, dat niemand zou weggaan en iedereen zou blijven.)


Ik vroeg niet hoe het met Emmeline ging. In plaats daarvan wees ik naar een armband en vroeg of Zus die mooi zou vinden. Dat ze van Broer ook ooit een armband had gekregen en daar ook blij mee was geweest. Ina gaf niet meteen antwoord. Ze deed iets in de trant van haar schouders ophalen en kikken en draaide zich toen bruusk om. Twee tellen later keek ze me weer aan en zei met een glimlach dat het haar wel iets voor Zus leek, die armband. Ik probeerde haar gezichtsuitdrukking te lezen en deed toen alsof ik niets gemerkt had. De rest van de middag praatten we over onderwerpen die ons allebei niet interesseerden, maar die we nog nooit met zoveel overtuiging besproken hadden. Zo werkt dat, vertelde ik mezelf, je wacht tot dingen weggaan, en als ze weggaan zoek je iets dat net hetzelfde is.


Toen ik thuis kwam, was het overal donker en stil, behalve in de keuken. Ik bleef een paar seconden in de hal staan, huiverde toen mijn voeten de koude vloer raakten en liet mijn ogen wennen aan het donker. Doorheen de woonkamer kon ik de keukendeur en een stukje van de zijkant van mama's gezicht zien. Broer en Zus waren nog niet thuis, zag ik aan de lege plekken op de kapstok.


"Ann, ben jij dat?" riep mama toen ik geen aanstalten maakte naar de keuken te lopen. "Ja!" riep ik terug en opende nadrukkelijk de deur naar de WC om even alleen te kunnen zijn, ook al had ik me de hele middag zo gevoeld. Ik had het gevoel alsof mijn hoofd ging exploderen van alles wat ik niet begreep. Zoals altijd wanneer ik moe en verward was voelde ik tranen opkomen en vervloekte mezelf om mijn labiliteit. Ik veegde ruw met de mouw van mijn trui over mijn gezicht en haalde diep adem. "Doe normaal", zei ik zacht tegen mezelf, "alles in orde. Je ziet spoken. Gedraag je als een stabiel persoon en doe alsof als dat niet anders kan." Ik was er allemaal niet zo zeker van, maar er zijn momenten waarop je niet anders kan. Of wil. Of durft.


"Dag Anneke." Ik ging naast papa aan tafel zitten en trok de soeppot naar me toe. Mama begon naar mijn dag te vragen met een enthousiasme dat ik maar zelden zag (het had vast iets met de kerstboodschap te maken, of met het feit dat Zus al een paar keer had laten vallen dat ze een kot moest zoeken en dat ik dan de enige thuis zou zijn). "Het was leuk", antwoordde ik afwezig en trok de boter dichterbij om een boterham te smeren.

"Waar zijn Zus en Broer?" vroeg ik terwijl ik melk in mijn soep goot en keek naar de grappige vormen dat dat opleverde. "Broer is bij een vriend", antwoordde papa, "ze gingen samen naar een fuif. En ik weet niet waar Zus is."


"Bij haar vriendje", zei mama tussen twee soeplepels door en wierp fronsend een blik op de klok, die half zeven aangaf, "ook al had ze beloofd voor het avondeten terug te zijn." Er klonk teleurstelling door in haar stem. Ik ging niet in op die opmerking, noch op die vana papa toen hij opmerkte dat hij namen van Zus' vriendjes niet meer kon bijhouden en at gestaag verder toen mama kattig antwoordde dat hij misschien zijn best ook niet echt deed. Halverwege de discussie schoof ik mijn lege bord van me weg en glipte de trap op om Zus' cadeau in te pakken, en ook gewoon omdat het in mijn kamer in elk geval gezelliger zou zijn.

donderdag 6 augustus 2009

De Treinjongen.

(Dit kortverhaal heeft niets te maken met wolkenmeisje, behalve dan misschien dat ze het zelf had kunnen geschreven hebben.)

De Treinjongen.

De eerste keer dat ik hem zag, kwam dat door de sinaasappels.
Zoals altijd had ik de trein van 16.47 genomen, en zoals altijd leek het alsof de hele wereld samengeperst moest worden in die acht gammele wagons. Het was warm en niemand wou zijn waar hij op dat moment was, zelfs niet ik. In een poging te verdwijnen tussen de dikke mevrouw met teennagels zo lang als pasgeslepen potloodpunten en de meneer die rook naar een vreemde mengeling tussen ajuinen en gember stond ik in een hoekje van de ruimte tussen twee coupés en staarde naar mijn tenen (waarvan de nagels overigens een acceptabele lengte hadden).

Treinen zijn anoniem. Als het rustig is kan je naar de mensen kijken, en je afvragen waarom je jouw leven leidt en niet dat van hen. Als het drukker is doe je een halfhartige poging te verdwijnen en probeert te bedenken wat het verschil is tussen jou en de meneer met de sterke lichaamsgeur, afgezien van jullie mening over hygiëne. Ik reis graag met de trein. Dat is een overblijfsel uit mijn kindertijd, toen ik met mijn moeder elke week naar de zee treinde. Ik heb nooit geweten waarom en heb het haar ook nooit kunnen vragen. Elke zaterdag stapten we, ongeacht de datum of het weer op de trein. Aan zee ging ze op de dijk staan en keek naar de golven, soms uren na elkaar. Toen ik klein was vertelde ze me verhalen die ze waarschijnlijk ter plekke uit haar duim zoog, eens ik ouder werd zweeg ze vooral. We stonden daar alleen maar, gingen nooit een winkel of café binnen en ons eten brachten we zelf mee. “Het is afzetterij”, zei ze meestal, “ze denken dat ze zoveel rijker mogen zijn omdar ze dicht bij de zee wonen, maar eigenlijk heeft iedereen op alles evenveel recht. Ook op de zee.” Misschien had ze vroeger niet naar de zee gemogen. Misschien was de zee de enige die haar gedachten kon bezweren. Misschien was ze gewoon een eenzame vrouw.

Eén keer ging ze een souvenirwinkel binnen en kocht er een grote schelp voor mij, die ze op mijn nachtkastje zette. “Dan kan je altijd de zee blijven horen”, legde ze ernstig uit, “Dan zal je je hem altijd blijven herinneren. Je mag nooit de zee vergeten. Nooit. Snap je dat?” Ik knikte, zei dat, zeker, ik het snapte, maar eigenlijk had ik geen idee wat ze bedoelde en was ik gewoon blij dat ik eindelijk, na al die uitstapjes, eens een cadeautje had gekregen.
Twee weken later stierf ze.

Mijn vader was toen al een oude man met veel verdriet, en daar kon niets meer bij. Ik heb mijn grootmoeder wel eens horen sissen dat hij geen plaats had voor verdriet om mijn moeder. Mijn grootmoeder was een gemene vrouw met een grote mond en ik verdenk haar ervan nooit te weten wat ze zei.

Mijn vader heb ik in elk geval nooit zien huilen noch lachen. Hij was een ernstige man die het beste met me voorhad, maar een beetje een vreemde manier had om dat te laten zien. Alles is daarna nooit meer hetzelfde geworden en ik heb de zee niet meer gezien sinds ik een klein meisje was. Mijn schelp zit in een doos onder mijn bed, bij de foto’s van mijn moeder en een oude teddybeer waar ik naar het schijnt te groot voor ben geworden. Ik heb de zee nooit vergeten. Ik hoef er alleen niet zo nodig mee samen te leven.

De sinaasappel kwam met een zachte plof vlak voor mijn voeten tot stilstand. Ik schrok verbaasd op uit mijn overpeinzingen en zocht naar degene die het stuk fruit daar had neergegooid. Een jongen met geelbruine ogen stond me schaapachtig lachend aan te kijken en gebaarde voor zover hij dat kon naar de grote zak sinaasappelen in zijn armen. De vrouw naast me bukte zich al, maar ik was haar voor en griste het stuk fruit weg. Ik glimlachte terug, vroeg me af wat één iemand ging doen met zoveel sinaasappelen en legde degene die hij verloren had weer bovenop de stapel, om hem meteen weer op te vangen toen hij wegrolde. De jongen lachte opnieuw toen ik mijn poging herhaalde en met gefronste wenkbrauwen zijn aankopen begon te herschikken. “Misschien moet je hem maar opeten”, besloot hij uiteindelijk toen bleek dat de wegloper zich echt liever in mijn armen dan in de zijne bevond. Ik bedankte hem, stopte de sinaasappel in mijn tas en moest me toen verrast aan hem en zijn zak fruit vasthouden omdat de trein stopte. Hij glimlachte opnieuw. Dit keer perste ik me tussen hem en de meneer die me met zijn lichaamsgeur ondertussen zowat gijzelde en wist nog net op tijd tussen de treindeuren door te springen. Ik deed alsof ik de bestraffende blik van de conducteur niet zag en probeerde zoveel mogelijk uit de zon te blijven.

’s Avonds zat ik met mijn vader op het terras en pelde mijn sinaasappel. “Ik wist niet dat we nog sinaasappels hadden”, was de verbaasde reactie. “Ik heb hem gekregen op de trein”, antwoordde ik en beet op mijn tong toen de voorspelbare raad niet zomaar iets aan te nemen van vreemden kwam. “Het was geen vreemde”, loog ik en stopte het eerste stukje in mijn mond. Het vruchtvlees was zoet en sappig. Ik vroeg niet of hij ook een stukje wou. Het antwoord zou toch nee geweest zijn.

Ik noemde hem de Treinjongen. In mijn hoofd, want daar was hij het meest. De volgende drie dagen namen we samen de trein van 16.47, ik altijd wensend dat ik anoniem kon leven en hij met een grote zak fruit. We spraken nauwelijks, maar hij gaf me elke keer een glimlach van herkenning en bood me een stuk fruit aan. De derde keer zei ik dat ik niet zou willen dat hij een stuk te weinig zou hebben. “Het valt niet op”, beweerde hij en duwde me een appel onder mijn neus terwijl hij met zijn andere hand een halfslachtige poging deed de zak in evenwicht te houden. Ik hoopte maar dan hij nooit de drang zou voelen acrobaat te worden en miste mijn halte omdat ik op mijn knieën appels zat te rapen.

“Sorry”, verontschuldigde hij zich, en: “ik moet er hier uit.” We wandelden zwijgend naar de uitgang van het station, waar ik op zoek ging naar een bushokje. We namen geen afscheid.

Mijn moeder deed nog van die dingen. Ze zette zich een keer een hele namiddag voor de plaatselijke supermarkt met een polaroid en fotografeerde iedereen die binnen- of buitenging. Nadien deed ze mij de foto’s cadeau. “Voor een familiealbum”, zei ze. Ik deed er twee avonden over (als klein kindje is een avond kort) ze allemaal in te plakken en elke keer hoorde ik mijn ouders achteraf ruzie maken. Het ging over opvoeding en waarden en mijn moeder schreeuwde dat ze aan die flauwekul niet meedeed. Ik geloof niet dat het mijn vader is die me de belangrijkste dingen geleerd heeft.

Een andere dag gingen we picknicken in onze voortuin, waar heel de tijd auto’s voorbij raasden. “Ik vind dit niet leuk”, vertelde ik haar en maakte aanstalten mijn vader te gaan halen. Toen dacht ik nog dat hij de dingen oploste. “Je moet je ogen dichtdoen en je voorstellen dat de auto’s er niet zijn”, antwoordde ze. “Eten is veel leuker met je ogen dicht.” Ik deed wat ze zei. Op het einde hing er choco aan mijn neus en smeerkaas in mijn oren, maar de auto’s waren bij mijn weten verdwenen.

“Van wie krijg je al dat fruit toch?” vroeg mijn vader humeurig toen hij met zijn krant bij me kwam zitten. Het begon een beetje af te koelen en ik had een oud tafelkleed om mijn benen gewikkeld. “Een oude vriendin”, loog ik en nam nog een hap van mijn appel. Hij vroeg niet verder, maar liet weten dat hij er het zijne van dacht door zijn krant open te slaan en hem zo hoog voor zijn gezicht te houden dat ik zijn neusharen er bijna vanonder zag piepen.
De dag erna was een zaterdag. Ik hing een beetje rusteloos rond en las een boek dat ik niet begreep. Het was nog steeds onmenselijk warm en iedereen met wat gezond verstand bleef in de bescherming van de airconditioning of een ventilator. Ik luisterde naar mijn schelp en bladerde door mijn familiealbum. Er stond niemand tussen die ik kende, maar dat is ten slotte bij de meeste familiealbums zo.

’s Maandags begon de vakantie en was het plots veel rustiger op de trein van 16.47. Voor het eerst sinds lang had ik weer een zitplaats. De plaats naast me werd ingenomen door een oude vrouw met een wandelstok op het moment dat de Treinjongen hetzelfde ging doen. Hij rolde (niet zo) ongezien met zijn ogen, gaf me een kiwi en liep toen twee zitplaatsen verder. De plaats naast hem bleef leeg.

“Excuseer me”, mompelde ik tegen het vrouwtje, klom langs haar heen en vroeg me af of ik nu heel erg belachelijk en doorzichtig handelde. De Treinjongen had zijn zak fruit naast zich neergezet en nam die weer op zijn schoot toen hij mij zag rechtstaan.
“Ze bleef maar met die stok op mijn teen duwen”, legde ik uit en zette mijn rugzak tussen mijn voeten. Hij glimlachte alleen maar. Het bleef even stil. Misschien toch iets te doorzichtig. “Wat doe je daar toch allemaal mee?” vroeg ik uiteindelijk en knikte naar de zak op zijn schoot. “Het is niet van mij”, antwoordde hij vrolijk, “ik koop het alleen maar. Het is voor een oude man die zelf een hekel heeft aan reizen. Ik geloof dat hij het schildert en daarna uitdeelt.” Ik vroeg me in stilte af of zulke mensen echt nog bestonden. “Maar dan mag je dat niet zomaar aan mij geven”, antwoordde ik uiteindelijk. “Ik geef dat niet zomaar aan jou”, reageerde hij droog, “en bovendien vindt hij dat helemaal niet erg.” Ik geloofde er niets van, maar hield mijn mond, want zijn eerste argument had me uit mijn lood geslagen.

“Je mag er ook twee hebben”, bood hij aan en stak de zak naar me uit. Ik had nooit geweten dat kiwi’s zo zoet roken. “Nee”, reageerde ik geschrokken, “één is genoeg.” Hij haalde zijn schouders op. “Ik moet er hier uit”, mompelde ik toen en sprintte haast de trein uit. Vlak voor ik de trap van het perron naar het station afliep, keek ik nog om. De trein vertrok en hij keek me aan door het raam, een bedachtzame blik in zijn ogen.
Pas toen ik bijna thuis was besefte ik dat ik in al mijn haast mijn rugzak was vergeten.

Nadat mijn moeder gestorven was, dacht ik dat ik dubbel zo verdrietig moest zijn, aangezien mijn vader zijn deel niet op zich kon nemen. Ik stopte al haar foto’s, de schelp en een trui die nog naar haar rook in een doos. Mijn vader sprak nooit over haar, ook al vertelde ik hem verhalen over wat we samen gedaan hadden, verhalen waarvan ik wist dat hij ze niet kende. Ik zag hem nooit huilen, dus huilde ik dubbel zoveel. Er was een week in hartje winter dat ik een zonnebril droeg, omdat mijn ogen zo rood en opgezet waren. Daarna leerde ik dat je verdriet niet meet aan het aantal tranen, noch aan het aantal verhalen dat je vertelt.

Hij had mijn rugzak voor me bijgehouden en er een extra kiwi in gestopt. We stonden weer tussen twee coupés in, meer omdat er anders zoveel mensen waren dan bij gebrek aan plaats. Hij had kersen bij vandaag. Massa’s kersen. “Wat breng je hem in de weekends?” vroeg ik nieuwsgierig en stal een kers die van de stapel afrolde. “Elke keer iets anders.” Hij herschikte de zak zodat er nog drie kersen vielen. Ik kon me niet herinneren ooit zo gezond geleefd te hebben. “Zoals?” Ik spuwde de pitten uit in een (ongebruikte) zakdoek. “Keien. Dakpannen. Glazen. Een bak zout.” Hij glimlachte. “Dat laatste was omdat het gesneeuwd had.”
“En dit weekend?” Ik vroeg me af hoe hij die man kende. Waarom hij dit deed. Wat hij dacht. Wat hij voelde. Wie hij was.

“Ik ben inspiratieloos”, beweerde hij, “een voorstel?”
Ik was even stil en keek naar de voorbijflitsende bomen. “Schelpen”, stelde ik uiteindelijk voor. “Schelpen”, herhaalde hij nadenkend, “oké. Nemen we de trein van kwart voor negen naar de zee?” Ik voelde mijn mond openzakken en bracht een paar onsamenhangende klanken uit. De arme jongen dacht waarschijnlijk dat ik aan een of andere acute psychische ziekte leed, want hij keek dodelijk geschrokken en stamelde een verontschuldiging. Ik was me er vaag van bewust dat de trein stopte aan mijn station. Er stapten mensen af, maar ik was nog steeds op zoek naar een antwoord toen we weer vertrokken. “Oké”, perste ik er toen uiteindelijk uit. Hij lachte opgelucht. “Prachtig.”

“Je bent weer zo laat”, mopperde mijn vader, “hoe komt dat?” Ik mompelde iets over vertraging en zei dat ik zaterdag niet thuis zou zijn. Hij sloeg zijn ogen ten hemel en verdween met zijn krant en een fles wijn naar zijn slaapkamer. Ik luisterde naar mijn schelp en huilde tot het tijd was om te eten.

“Waar ga je heen, zaterdag?” vroeg mijn vader toen we op het terras zaten. Ik sneed een kiwi in twee en stopte een kers in mijn mond. “Ik ga naar de zee”, antwoordde ik en at een stukje kiwi. Mijn vader keek geschrokken op van zijn sportkatern. “De zee? Wat ga je daar doen?”
“Schelpen zoeken.”Ik keek naar de lucht, die steeds lichter blauw werd. “Waarom zou je nu naar de zee gaan”, mompelde hij zachtjes. Ik wist niet goed of het een retorische vraag was, dus bleef ik fruit eten.

“De zee mag je niet vergeten”, glimlachte ik uiteindelijk stilletjes.
Behalve het ritselen van de krant kwam er geen antwoord.

Negen jaar nadat mijn moeder gestorven was, rond mijn zestiende verjaardag, ontmoette ik mijn eerste vriendje. Hij was slim en knap en ik kon maar niet ophouden met denken hoe gelukkig ik was. Ondertussen ben ik zijn naam vergeten (dat wil ik toch), maar ik weet nog dat hij grijze ogen had, en een afzichtelijke groen-met-blauwe-trui, die hij maar bleef dragen omdat hij beweerde dat iedereen die zo mooi vond. Ik had het lef niet hem van het tegendeel te overtuigen.

Op mijn zestiende verjaardag nam ik hem mee naar mijn kamer en liet hem de doos met de schelp en het familiealbum zien. Terwijl hij over mijn haar streek vertelde ik hem verhalen over mijn moeder. “Ze was speciaal, snap je”, trachtte ik hem uit te leggen, “ze was niet zomaar zoals iedereen. Is dat niet mooi? Misschien mag je nooit zomaar… zo zijn. Nooit zomaar jezelf.” Mijn vriendje glimlachte lusteloos en duwde het familiealbum aan de kant. Ik glimlachte gekwetst en duwde hem mijn kamer uit.

Mijn vader had hem nooit gemogen. Hij vond hem een leegloper, en nooit goed genoeg. “Er zal geen enkele jongen zijn die goed genoeg is”, had ik gezegd en hij had me gelijk gegeven. Toen ik de leegloper die dag buiten gooide, stond hij zwijgend toe te kijken. “Ik wil er niets over horen”, waarschuwde ik hem. Hij knikte alleen maar.

De volgende dagen stak de Treinjongen me telkens twee stukken fruit toe. “Maar ik eet geen twee hele meloenen”, protesteerde ik de eerste keer. Hij haalde zijn schouders op. “Dan geef je hem maar weg.” Ik gaf hem aan de buurvrouw, die verbaasd haar schouders ophaalde en me min of meer bedankte. “Meloen?” vroeg mijn vader verbaasd. “Meloen”, bevestigde ik en gaf hem een stuk. We zaten zwijgend te eten. “Ga je alleen naar zee?” vroeg hij toen plots. Hij keek me aan. Zijn felblauwe ogen stonden kalm en geïnteresseerd. Ik aarzelde en voelde hoe ik begon te blozen. “Ik heb iemand leren kennen op de trein”, gaf ik toen maar toe, “een vriend.” Hij knikte alleen maar. “De jongen van het fruit?” Ik vroeg me af hoelang hij me al doorhad en antwoordde bevestigend. Heel even meende ik zijn mondhoeken te zien trekken. “Je moeder en ik…” Als een wesp gestoken ging ik rechter zitten. Hij keek naar buiten, er hing een ontspannen trek rond zijn mond en hij was duidelijk diep in gedachten verzonken. “Je moeder en ik leerden elkaar kennen…”

“Ik had jouw leeftijd”, zei hij nadenkend, “zij was wat jonger. We waren buurjongen en buurmeisje.” Er speelde een vage glimlach rond zijn mond. “Onze slaapkamerramen waren vlabij elkaar, gescheiden door een klein gangetje tussen de twee huizen.” Er zat een glans over zijn ogen die ik niet kende.
“Net als Pyramus en Thisbe”, glimlachte ik. Hij keek me verstoord aan. “Wat?” Ik lachte. “Niets.”

De Treinjongen had die vrijdag niets meer gezegd over de zee, dus liep ik op zaterdagochtend zenuwachtig naar het station in de hoop dat hij het niet vergeten was. Dat hij zich niet bedacht had.

Het was redelijk rustig op de trein, met al het slechte weer dat voorspeld was. Met een steeds groter wordende knoop in mijn maag liep ik de trein door, steeds kwader op mezelf, tot ik opeens iemand “meisje!” hoorde roepen. Ik draaide me om met mijn vingers gekruist in de zakken van mijn rok en zag de Treinjongen op me toelopen, een beetje onvast op zijn benen door de bochten die de trein aan het nemen was. “Hoi”, groette ik aarzelend toen hij voor me stilhield en zich even aan mijn schouders overeind probeerde te houden. “Dag meisje.” Hij ging op een lege plaats zitten. Ik nam naast hem plaats en diepte een rekkertje op uit mijn zak om mijn haren samen te binden. De Treinjongen bood me een koek met chocolade aan. Blij nam ik hem aan en zei iets dom over verandering van spijs dat deed eten. Hij schoot in de lach. Hij had een aangename, lichtjes hese lach, alsof zijn stem nog niet goed wist welke kant hij uit wou.

“Dus”, zei hij toen we de eerste halte voorbij waren en ‘nog’ maar drie kwartier te gaan hadden, “wat is dat, met jou en de zee?” Ik keek verbaasd op. “Hoezo, ik en de zee?” Als hij glimlachte, trok hij zijn rechter mondhoek iets hoger dan de linker, merkte ik. “Ik hoop dat het niet door mij is dat je zo lang twijfelde.” Ik had kunnen zeggen dat dat normaal was, dat hij praktisch een vreemde was, of dat het hem niet aanging. Maar dat deed ik niet. Ik vertelde hem over mijn moeder en de zee, en de schelp, en daarna automatisch ook over het familiealbum en de picknick.
Nadat ik uitgepraat was, bleef hij een tijdlang stil en keek me nadenkend aan. Ik stond op het punt me te verontschuldigen voor al mijn gepraat toen hij bijna verlegen opmerkte dat hij er zeker van was dat ik op mijn moeder leek.

Later picknickten we op het strand met twee chocoladekoeken. We vonden heel veel schelpen (en kochten er twee). Hij voerde de enige boterham die hij bij zich had gehad aan een zeemeeuw en na mijn opmerking dat dat enge beesten waren zat hij me achterna terwijl hij met zijn armen flapperde en vreemde geluiden maakte. Er waren veel mensen, maar alleen wij waren niet zomaar zo. Niet zomaar onszelf.

“We komen nog terug”, zei hij toen we op de trein zaten en ik een tevreden zucht slaakte. En we kwamen nog terug. Want de zee mag je niet vergeten.
Nooit.

zondag 19 juli 2009

030

Woensdag 16 april Jaar 1

"Ik moet je iets vertellen."

De gang was bijna verlaten op dit moment. Om half vijf was niemand nog op school, behale dan de mensen die hun turnzak vergeten waren en daar een half uur naar moesten zoeken. Iemand sloeg verbaasd het deurtje van zijn locker dicht en keek me met opgetrokken wenkbrauwen aan alvorens zijn zwarte schooltas over zijn schouder te gooien en schijnbaar onopvallend zijn broek op te trekken. Ik glimlachte onbewust. "Wat moet je me vertellen?" vroeg hij, enigzins op zijn hoede, al kon het zijn dat ik me dat verbeeldde.

Ik keek hem gedurende twee seconden recht aan, in zijn bruine ogen die lichter leken dan anders (het hing soms van het licht af) en vroeg me af waar ik mee bezig was. Iemand en ik mochten dan goede vrienden geworden zijn, ik was er negenennegentig komma negen procent zeker van dat hij niet op iemand als ik zat te wachten. Alleen woog die nul komma nul één procent op dat moment veel zwaarder. Een leerkracht liep ons voorbij. Ze was waarschijnlijk de slechtste leerkracht die ik ooit zou hebben (kon dingen niet uitleggen, maakte zelf continu fouten, luisterde niet naar ons en voelde zich heel de tijd bedreigd door haar eigen leerlingen, waardoor ze zich heel defensief ging gedragen en zich probeerde te profileren als strenge leerkracht (wat haar niet lukte) en barstte in het midden van de les uit in tirades of hoe erg ze onze klas haatte), maar ik glimlachte toch. Iemand stopte het sleuteltje van zijn locker in de zak van zijn zwarte jeansbroek. Ik slike. Wat moest ik nu zeggen? Ik had gewoon mijn mond moeten houden.


"Ina", improviseerde ik snel en meende een flits van opluchting over zijn gezicht te zien trekken, maar ook dat kon ik me verbeeld hebben, "ik maak me zorgen." We begonnen in de richting van de fietsenstalling te lopen. "Ik ook", antwoordde hij nadenkend, "maar wat doe je eraan."

"Er is iets mis bij haar thuis", vatte ik snel alles wat we wisten samen. Iemand knikte, zette zijn boekentas op zijn bagagedrager en ging op zoek naar zijn fietssleuteltje. "Het is alleen zo raar dat ze er niks over zegt", ging ik verder terwijl ik zijn voorbeeld volgde. "Vraag het haar dan?" suggereerde hij en trok zijn fiets uit het rek. Ik zweeg. Ik moet de laatste tijd al zoveel vragen aan mensen, was het enig dat ik kon bedenken, maar dat leek me te riskant. Iemand stapte op zijn fiets en wachtte geduldig tot ik het gevecht met mijn snelbinder gewonnen had. "Ik zou niet weten wat ik moest zeggen als het echt heel slecht nieuws zou zijn", mompelde ik somber terwijl ik me achter hem aan naar de schoolpoort begaf. "Daar gaat het niet om", reageerde hij, "het gaat erom dat je gewoon naar haar luistert. Laat merken dat je om haar geeft." Ik deed een gevaarlijk manoeuvre tussen twee auto's en reed naast hem de straat op. Ik vroeg me af of ik nu moest zeggen wat ik had willen zeggen. Of dat verstandig zou zijn. Ik keek stiekem naar de zijnkant van zijn gezicht toen hij halt hield bij een stoplicht.


"Misschien ben je bang dat het ook op jou een impact zou hebben", zei hij toen plots en heel even was ik vergeten waar het over ging en staarde hem geschrokken aan. Mijn reactie leek hem in de war te brengen. "Ina", trachtte hij zich te verduidelijken. "Oh!" riep ik uit en had mezelf op dat moment het liefst diep onder de grond begraven. "Ik weet het niet", was alles wat ik nog durfde te zeggen.

We reden een tijdje in stilte verder over een smal wegeltje, tot ik (zogezegd) tussen neus en lippen vroeg hoe het met zijn groepswerk stond. Hij aarzelde voor hij antwoord gaf. "Goed", besloot hij uiteindelijk, "bijna af." Ik merkte luchtig op dat je een groepswerk per twee maar moeilijk een groepswerk kon noemen en hij lachte, maar zelfs ik kan beter nep lachen.

De weg naar huis leek me plots langer en kouder dan anders. We werden voorbij gestoken door een groepje meisjes van ongeveer twaalf jaar. Ze giechelden zo hard mogelijk en ik vroeg me af of ik ook zo geweest was. ("Erger", zei Broer later, "je was een twaalfjarige die dacht als een bejaarde. Daar kan je alleen maar ongelukkig van worden." Ik sloeg hem en durfde niet te vragen wat hij daarmee bedoelde.)


"Ik ga hier afslaan", zei Iemand plots, "als je het niet erg vindt. Dan kan ik een kortere weg naar Sara nemen." Ik zwaaide bij gebrek aan woorden, negeerde wat hij nog zei over Ina en deed mijn best de verdere weg naar huis niet te huilen.


Ik vroeg me vaak af wat ik verkeerd deed. De kerstvakantie kwam en klasgenoten gingen weg. Met vrienden, naar god weet waar. Fuiven waar ik niet vanaf wist en waar ik eigenlijk ook niet heen wou. Ik had naar Lily geglimlacht toen ik haar voorbijliep. Ze had naar de grond gestaard en was sneller gaan lopen. Ik was gevallen met mijn fiets vlak voor Emmeline haar ogen. Ze had geaarzeld, maar ze was niet gestopt. Nee is nee. Ik had Ina gevraagd wat er mis was. Ze had gezegd dat het thuis allemaal moeilijk ging en verder niets. Ik had aangevoeld dat dat niet alles was. Ik had gezwegen. Ik had Iemand en Sara samen gezien. Gewoon samen. Ik had toch gehuild. Hij had mij gezien en onopvallend geknikt. Ik had gezwegen.


Mensen willen mij niet kennen. Daar ben ik niet tof genoeg voor. Niet 'hip' genoeg. De mensen die blijven jaag ik zelf weg. Misschien ben ik niet gemaakt om gelukkig te zijn. Niet bedoeld om vrienden te hebben. Misschien moet de wereld altijd een paar keer mislukken, om alles in balans te houden. Hoe kan alles nu zo moeilijk zijn - hoe kan alles nu zo verkeerd zijn. Ik weet niet wat er nu misgelopen is - ik weet dat uiteindelijk alles misloopt. Ik weet niet wie er nu weggegaan is.

Ik weet dat iedereen weggaat.

 
design by suckmylolly.com