donderdag 12 november 2009

034

Vijfentwintig april. Haar laatste stuk dateert van vijfentwintig april, en het is juist die brief die ik al honderd keer las. Het is de brief die ze me midden in de nacht doormailde. Ik belde haar exact drie minuten erna, en toen was het al –

Ik wil niet te laat typen, maar ik weet ook niet wat ik dan wel moet typen. Toen was ze al ‘weggegaan’, zoals ze dat zei? Drie minuten, godverdomme. Ik snapte er niks van. Hoe kon dat nu? Drie minuten, dat is niks. Zelfs al nam ze de telefoon niet op, we waren er toch zeker wel op tijd? Nog voor… Voor ze wegging?

Later bleek dat ze die e-mail automatisch had laten verzenden om middernacht. Alsof ze haar laatste dag toch nog volledig wou blijven. Ze was niet iemand om half werk te leveren (oh, wat klinkt dat nu ironisch, er komt een bitter glimlachje op mijn lippen), ook al dacht ze daar zelf anders over.

Ze dacht altijd dat ze nog niet klaar was. Dat er nog iets gedaan moest worden, ook al was dat niet zo. Af en toe moet je eens gaan zitten en om je heen kijken. Soms moet je eens kunnen rusten. Zij kon dat niet, en toen ze doorhad dat het echt broodnodig was, was ze al te moe en deed ze toch maar verder zoals ze bezig was.

En ik, waar was ik? Op het moment van de mail minstens duizend kilometer hiervandaan. De dag erna telkens een paar kilometer dichterbij, tot ik weer met mijn beide voeten op de grond stond en me in de armen van haar grote held stortte, die zelf nog stond te trillen op zijn benen en de eerste weken geen woord zei. Of toch niet meer dan een paar. En daarvoor was ik altijd dichtbij, maar misschien nooit dicht genoeg. Achteraf wou je dat je gewoon naast haar gekampeerd had, dat je haar overal op de voet gevolgd had, maar soms gaat dat niet. Zij heeft haar eigen keuzes gemaakt, maar ik wou…

Achteraf wil je natuurlijk zoveel.

Het is zes maanden geleden. Gedurende zes maanden heb ik haar verzameld. Ik wist waar ze mee bezig was, en ik wist dat het ook afgemaakt moest worden. Eerst vond ik dat het af was zoals het was. Ik had er eens snel naar gekeken, en niet veel kunnen zien omdat mijn ogen te wazig waren. Maar daarna… Daarna leek het mij nog meer onaf dan wat ze achtergelaten had. Het was niet wie ze was. En ik ben ook niet wie ze was, en ik wist niet wat ik ermee aan moest, maar ik wist dat er iets mee moest gebeuren.

Ik ging ten rade bij haar held, die ondertussen ook voor mij die rol heeft opgenomen. Hij weet het zelf allemaal niet meer, en zijn benen trillen nog steeds, maar ik kan hem best dragen als dat moet. In elk geval had hij er ook geen mening over, of toch geen mening die hij met mij wou delen.

Dus ging ik op zoek naar het andere hoofdpersonage, dat ik ook al een tijd niet meer gezien had. Hij had nog steeds dat meisje met de lelijke zwarte jas rond zich hangen, maar dat besefte hij denk ik zelf niet eens. In elk geval niet op dat moment. En hij luisterde naar wat ik te zeggen had, speelde met een bierviltje en veegde onopvallend een traan weg die ik zogezegd niet mocht zien. “Vertel het zelf”, zei hij uiteindelijk, “haar verhaal.”

Ik heb die jongen vaak lomp, achterlijk en blind genoemd, vaker dan me lief was, maar ik moet het toegeven: soms heeft hij goede invallen.

Soms.

Wat ze zelf geschreven heeft, daar kom ik niet aan. Die woorden staan daar voor een reden. Dat was haar ten voeten uit. Meestal was ze zelf de enige die begreep wat ze schreef. Alles, de positie van de woorden, al dan niet aanwezige hoofdletters en interpunctie, woordkeuze had een dubbele betekenis, een extra bodem. Toen ik haar daar eens op wees, keek ze me aan met een blik die duidelijk zei: “Ja, en dan?” Ze schreef voor zichzelf, niet voor de wereld.

Als ik lees wat ze tot nu toe heeft vastgelegd, is wat echt in het oog springt de stukken die ontbreken. Dit was nog maar haar aanloop, ze was nog veel meer van plan. Ze heeft echter niet gezegd wat, zelfs niet in een simpel overzicht. Dus besloot ik de gaten op te vullen. Zelf kon ik heel haar verhaal niet vertellen: ik ken al haar betekenissen niet. Dus liet ik het over aan alle anderen. De personages die ze al had aangehaald, maar ook zij die ze nog buiten beschouwing had gelaten.

Zo simpel bleek dat echter niet te zijn. De anderen, die wilden alleen maar vertellen wat ze nog wisten – en ze logen. Sommigen vertelden staalharde leugens. “Is dat erg?” vroeg ik haar held, “Zelf loog ze ten slotte ook.” Hij haalde zijn schouders op. “Misschien, maar het was dan ook haar verhaal.” Daar werd ik stil van, en ik besloot dat in haar verhaal zij de enige was die mocht liegen.

Daarmee moest het moeilijkste nog komen. Waar vond ik bewijsmateriaal, waarmee kon ik die verzinsels weerleggen? Ik wist het eigenlijk al, maar schoof die oplossing zo lang mogelijk voor me uit,ging bij anderen ten rade en ploos haar computer uit (niet dat dat zo leuk was, maar aan iets digitaal zou ze nooit het echt belangrijke toevertrouwen, en dat wist ik). Tot de jongen met zijn bierviltje verlegen vroeg of ik al haar schrijfsels al gevonden had. “Ze was altijd en eeuwig aan het schrijven”, zei hij, “zoveel dat…” Daar aarzelde hij, maar ik wist wat hij wou zeggen.

Zoveel dat ze voor het echte leven geen woorden meer had.

Ik zocht haar Doos dus, en ik vond hem ook.

Ik weet niet wat ik verwacht had. Een mooi uitgeschreven plan, iets dat het heel gemakkelijk zou maken? Zo was ze niet. Ze deed veel, maar het zichzelf gemakkelijk maken, daar deed ze niet aan mee. Wat wou ik dan, een netjes geordende stapel? Aan wat ze schreef kan ik merken dat het dat ooit geweest is, maar door haar geblader, gezoek was het een grote papierbom geworden.

Wat moest ik daarmee? Er eens goed om huilen? Ik ben geen wener. Zij deed dat voor ons allebei.

(En toch was dat wat ik deed – voor mezelf, voor haar, en voor alle anderen)

Dus ik deed waar ik goed in was. Ik begon te ordenen en te sorteren, vond een stapel paperclips onderin de doos en begreep dat ze het zelf ook al geprobeerd had. Ik kreeg hulp van haar en mijn held, die hoopte een uitleg te krijgen en alleen maar veel verdriet vond. Dus ik ging stug verder, probeerde door de bomen het bos weer te vinden en besefte uiteindelijk dat dat niet zou werken.

En toch zit ik hier nu-

Want anders weet ik het ook niet.

Ina.

woensdag 11 november 2009

033

(Heden.)
Ina lieve Ina.

Het gaat niet goed. Het gaat niet, en ook niet goed, en als ik het kon uitleggen zou ik dat doen, als ik er een verklaring voor had zou ik die geven, maar het enige dat ik besef is dat er iets volledig fout aan het gaan is.

Kijk het is zo simpel: ik lees mijn goed-gaan af aan mijn schrijven. Als ik stop met schrijven, en mezelf er ook niet toe aan kan zetten, weet ik dat er iets mis is, dat ik op mijn tellen moet passen. En –

Fuck you. ’t Lukt mij niet. Ik kan het niet uitleggen, want ik weet het zelf niet. Het lukt niet, oke. Ik kan niet schrijven, ik zie zo ongelooflijk op tegen alles wat nog moet komen dat ik ga slapen met de hoop ’s morgens niet wakker te moeten worden. Ik doe megahard mijn best, en alles loopt alleen maar fout, en ik ben het kotsbeu.

Ik zie dat hier gewoon alleen maar verkeerd aflopen, en ik ben bang.
Het is dat daarbuiten allemaal, snap je? Jij moet dat snappen. Jij bent de enige die het ooit gesnapt heeft. Er wordt zo veel gevraagd en verwacht en ik heb dat allemaal niet en ik word er zo ongelooflijk bang van. Ik ga daar gewoon megahard falen. Mondeling examen, eindwerk? Uhuh. Ik kan goed dingen vanbuiten leren, ja, en ik heb megaveel geluk dat mijn geheugen aanleunt bij een fotografisch, want een studiemethode heb ik niet eens, ik doe maar iets. Ik ga daar gewoon totaal door de mand vallen en ’t is zo precies of alles wat ik tot nu toe bereikt heb was gewoon toeval en dat heb ik helemaal niet verdiend… Ik ben hier gewoon iedereen aan het bedriegen, snapt ge. Mezelf incluis.

De wereld is te groot voor mij, oke? Ik snap er gewoon totaal niets van, en iedereen heeft dat allemaal onder de knie en ik maak mijzelf alleen maar belachelijk. Ik kan dit allemaal niet en ik heb er gewoon totaal meer zin niet, ook al zeg jij dan dat de berg alleen maar groot lijkt en je er toch over moet hoe dan ook (of zoiets). Ik wil niet. Ina, ik wil niet. Ik wil alleen maar weg. Ik móét weg. Nu. Snap je dat? Waarschijnlijk niet.
Ik denk niet dat ik het zelf snap.
Ik zou je bellen als ik dat durfde.
Ik zou gewoon gaan slapen als ik dat kon.
Alles zou zo anders zijn, als ik dat kon…

Niet boos zijn, oke?

Liefs, altijd veel liefs
Ann

Gedicht #5

Whichever way we go
if there's a tomorrow
where today our streets cross

I will be
stopping this traffic between
here and yesterday and live
in the corner of your
head, where your
shadow looms

donderdag 29 oktober 2009

Gedicht #4

Jij was
waar ik niet kon zijn
wie ik niet kon vinden
was jij

En toch zoveel
meer en minder
dan wat je meende
ongeveer

Ik was al weg
voor jij hier zal zijn

**

You were
What I could not reach
where I had never been
were you

Yet you are
so much more and less
than approximately
what you meant

I was long gone
before you'll get here

woensdag 28 oktober 2009

Gedicht #3

voor wat er
nooit geweest is,
wou ik nog zeggen:
dankjewel
wou ik nog zeggen:
fout
al bewees dat zichzelf
onmogelijk

als alles weggaat
overbodig is
waar staan wij
behalve ergens tussen
waar vroeger
ooit
iets geweest moet zijn

donderdag 22 oktober 2009

Gedicht #2

ik had
voeten in de aarde
diepgeworteld aan
lang geleden

en al was jij
nieuw, was jij wat
ik niet vergeten zou
toch wou

wou ik toch
weggaan voor jij
voor alles dat zou doen
met een laatste

woord, blik
voor alles vergeten
alles verkleurd en verspeeld
voorbij is - te laat

Voor ik wegga.

Woorden zijn alles wat ik nog heb.
Alles wat ik nog heb, zijn woorden. Een hoopje samengeraapte stokjes en bolletjes, verbonden met leestekens die allemaal op elkaar lijken en groep witte ruimte die alleen maar wit staat te zijn.
Woorden zijn mijn ziel. Ze vormen mij, bepalen mij. Ze houden mij in leven, trekken aan mijn mouw als ik in slaap dreig te vallen, wanneer mijn aandacht verslapt. Sorry, ik lette even niet op. Sorry, mijn gedachten waren er even niet bij. Ze houden mijn hoofd recht, mijn schouders lichtjes gebogen, mijn ogen wijd open. Mijn mond gesloten. Ze grijpen me bij mijn nekvel als ik afdwaal, dwingen me op het rechte pad als ik bochten neem.
Ja, woorden zijn mijn ziel. Ogen zijn er de spiegel van, en als je in de mijne kijkt, zie je alleen maar lange verhalen van wat niet is en nooit geweest is. Lange en korte woorden. Bestaande en onbestaande. Moeilijke, makkelijke.
Leugens. Woorden zijn altijd lang. Altijd onbestaand. Altijd moeilijk… Het moeilijkste wat er bestaat. Ze zorgen ervoor dat alles uiteindelijk misgaat. Ze zorgen ervoor dat niets nog blijft. En niemand kan praten. Niemand heeft meer dan een hoop stiltes. Niemand.
Maar ik, ik heb woorden. En het is alles wat ik nog heb. Ze liggen opgesloten. Veilig, ver weg, achter een hangslot dat niet op slot is. Ze banen zich een weg naar buiten – zij¬ zijn mij de baas. Ik tem hen door mijn hoofd te buigen en onzichtbaar te worden. Ik tem hen door stil te worden, weg te gaan.
En ze blijven altijd. Ze gaan niet weg. Zij niet. Alles en iedereen, maar zij niet. Communicatie, de kanker van de moderne samenleving. Ik kan het niet. Niemand kan het. Niemand weet nog echt hoeveel vrienden hij achter zijn naam mag zetten – en nog minder hoeveel er daar willen staan. Alles is een illusie. Alles is bedekt. Alleen wij bestaan nog. Alleen wij. In ons niet-bestaan. Alleen wij, in wat we nooit gehad hebben. De hele wereld, ze bestaat niet. Maar ik, ik wel. Ik ben springlevend, en toch neem ik exact dezelfde vorm aan als het behangpapier.
Ze zeggen… Ze zeggen zoveel. Ze zeggen te veel. Praten, dan verdwijn je nooit. Fluisteren, roepen, schreeuwen, mompelen, huilen, gillen, ruzie maken, discussiëren, debatteren, lachen, sneren, kuchen, verslikken, stikken.
Maar ze zijn er. En ik ook. Ik ben er. Min of meer.

En altijd hetzelfde. En jij, wie ben jij. Ik, ik ben niemand. Let maar niet op mij, ik ben maar… Maar behangpapier…
Wat? Niemand is behangpapier.
En dan: sorry. Sorry, waar was ik met mijn gedachten. Ik moet afgedwaald zijn, gedacht hebben aan de nieuwe kleur voor de kinderkamer, ach, wat heb ik toch vandaag. Sorry, het was niet mijn bedoeling om… Ach, ik had ook beter moeten weten. Beter moeten opletten. Altijd beter opletten, meer concentreren, al is het nooit genoeg. Ach kijk, daar ga ik weer. Excuseer me, het is de lege maag. Te weinig slaap misschien, niet genoeg gelachen de laatste dagen… Sorry, sorry. Ik was er even niet bij. Ik was even verloren.

En je glimlacht, en het is in orde. Het is altijd in orde.
Alles is in orde. Een glas water, misschien. Of een groot bord met een halve vierkante centimeter eten. Het is in orde.
Altijd in orde…
En nog eens. Nog eens, opnieuw, nog een keer.
Tot ik, tot alles… niets nog bestaat.
Tot ik besta.

En ik was er niet.
Misschien morgen…


Ik sta op en loop naar het raam.
Als ik rookte, zou dit het moment zijn waarop ik een sigaret opstak, hem naar mijn lippen bracht en er zachtjes aan trok. Als ik dronk, zou dit het moment zijn waarop ik geen glas meer nodig had en gewoon van de fles dronk. Dit zou het moment zijn asbak, zonder glazen, zonder schaamte. Ik zou verloren zijn, maar ik zou het goed doen. Voor ik ten onder ging aan longkanker of een kapotte lever, zou ik nog glimlachen en naar buiten staren, schandalig veel geld uitgeven om vermoord te worden en doen alsof dat altijd al de bedoeling was.
En uiteindelijk.
Uiteindelijk, misschien…
Uiteindelijk is dat zo.
In elk geval staar ik bedachtzaam naar buiten. Ik elk geval ben ik niet meer dan een klein figuur op de zoveelste verdieping, in elk geval is niets wat het lijkt.
En ik denk, wat is alles mooi. En ik herhaal luidop: wat is alles spuuglelijk. Als ik rookte zou ik nu de sigaret doven. Als ik dronk, zou ik nu de fles met een klap neerzetten, maar ik doe geen van beiden en kan alleen mijn schouders ophalen. Mijn middelvinger opsteken naar niemand die het ziet, schoppen op de wereld die te groot is.
Veel te groot.
Als een pasgeboren baby in de botsautootjes.
Dat doe je ook niet.
En toch.
En toch.
In het midden van de nacht bedenk ik dat het allemaal voorbij is. Allemaal genoeg geweest. Als ik rookte… Ik rook niet. Ik kan ademen, mijn lever doet wat hij moet doen.
En toch.
En in het midden van de nacht… In het midden van de nacht zijn je spoken zoveel groter. In het midden van de nacht staat alles in je nek te zuchten, is er niets dat je nog op een afstand houdt. In het midden van de nacht is alles voorbij.
Alles.
Hoor je me?

Voorbij. Ik ben voorbij, wij zijn voorbij. Jij bent voorbij, jullie zijn voorbij. Hij is voorbij, zij zijn voorbij. Gegaan. En ik ging. Weg. Uiteindelijk. In het midden van de nacht.
Ik had een witte muts op, een rode jas aan. Schoenen… Had ik schoenen nodig? Het had niet geregend. Toch niet hier.
Het is stil. Donker. Ik ken niemand, niets – niemand kent mij, niets kent mij. Ik houd me schuil in anonimiteit en zwerf tussen lantaarnpalen en licht te fel voor mijn bestaan – hoe lang nog? Hoe bang nog? Hoeveel nog? Misschien nog meer: wanneer wel? Wanneer uiteindelijk, eindelijk? Er zijn mensen, winkels, auto’s, dieren. Er is niets.
Heel veel niets.
Genoeg voor iedereen.
Ik loop voorbij niets. Voorbij alles. Niemand, iedereen kijkt op. Het is nacht en straks is het morgen en dan is alles weer, iedereen weer… aanwezig. Zoals dat moet. Jij, ik, iedereen, we zijn daar. We zijn, en als dat niet zo is, hebben we het lef te doen alsof.
De klok slaat.
Ik glimlach.
Blijf staan.
Einde, denk ik.
Einde.

 
design by suckmylolly.com